Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 september 2024, met drie producties;
- de conclusie van antwoord.
- de brief van 10 oktober 2024 van de kant van [eiseres] ;
- de brief van 17 oktober 2024 van de kant van [gedaagde] .
Rechtbank Rotterdam
Partijen waren van 2015 tot 2019 een affectieve relatie en zijn sinds 2018 gezamenlijk eigenaar van een woning in Rotterdam. Na de relatiebeëindiging in 2019 is de woning gestript en onbewoonbaar, waarna gedaagde de renovatie voortzette en er met zijn nieuwe gezin is gaan wonen. Eiseres vordert in kort geding dat gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning, met een dwangsom en mogelijkheid tot reële executie.
De voorzieningenrechter overweegt dat partijen niet verplicht zijn in onverdeeldheid te blijven en dat verkoop aan een derde of overdracht van het aandeel aan de ander mogelijk is. Eiseres kan de woning niet overnemen en wil niet dat gedaagde dat doet, maar zij heeft onvoldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij verkoop. Gedaagde bestrijdt dit belang en heeft onvoldoende gelegenheid gehad om te onderzoeken of hij het aandeel kan overnemen.
De waardering van de woning is onderwerp van verschil: gedaagde wil uitgaan van de waarde in 2019, terwijl eiseres de huidige waarde wil hanteren. De voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde voortvarend moet handelen en beter moet informeren, maar dat het belang van gedaagde bij behoud van de woning zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij spoedige verkoop. De vorderingen worden afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.
Uitkomst: De vordering tot medewerking aan de verkoop van de gezamenlijke woning wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.