De veroordeelde werd na een lange detentie van negen jaar op 5 augustus 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 1470 dagen en diverse bijzondere voorwaarden, waaronder meldplicht bij de reclassering en begeleid wonen.
Het Openbaar Ministerie diende op 19 augustus 2024 een vordering in tot (gedeeltelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens het niet naleven van de meldplicht en het weigeren van begeleid wonen. De reclassering rapporteerde dat de veroordeelde onvoldoende meewerkte, onder meer door het afzeggen van een intakegesprek en het weigeren van verplichte urinecontroles in een woonvoorziening.
De verdediging stelde dat de veroordeelde na lange detentie zonder inkomen en huisvesting werd vrijgelaten, waardoor praktische ondersteuning ontbrak. De veroordeelde had moeite met het bereiken van instanties en ontving pas later een uitkering. De moeder bood tijdelijk onderdak aan.
De rechtbank erkende dat onvoldoende begeleiding was geregeld bij vrijlating, maar stelde vast dat de veroordeelde verwijtbaar de meldplicht en begeleid wonen niet is nagekomen. De vordering tot herroeping werd gedeeltelijk toegewezen: 30 dagen van het resterende strafrestant wordt alsnog uitgevoerd, terwijl het overige deel van de voorwaardelijke invrijheidstelling in stand blijft met de bestaande voorwaarden.
De schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd opgeheven. De beslissing werd genomen op 9 september 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.