Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 april 2024, met bijlagen 1 tot en met 15;
- het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen 1 en 2;
- het antwoord in reconventie, met bijlage 16.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een huurovereenkomst tussen Stichting Hef Wonen en een huurder die via een bewindvoerder handelt. De huurder exploiteerde een seksinrichting in de woning, wat leidde tot ernstige overlast en schending van de huurovereenkomst. Hef Wonen vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
De kantonrechter oordeelde dat de huurder tekort is geschoten in zijn verplichtingen, onder meer door het gebruik van de woning voor niet-bestemde doeleinden, onderverhuur zonder toestemming en het veroorzaken van overlast. Deze tekortkomingen waren voldoende voor ontbinding van de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW Pro en bepalingen uit het huurrecht.
De bewindvoerder werd veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. De proceskosten werden aan de zijde van de bewindvoerder vastgesteld en haar werd de kostenveroordeling opgelegd. De tegeneis van de bewindvoerder tot het verkrijgen van een tweede kans of passende woonruimte werd afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de bewindvoerder veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen.