ECLI:NL:RBROT:2024:10898

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
4 november 2024
Zaaknummer
11045021 CV EXPL 24-9963
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:213 BWArt. 7:214 BWArt. 15 Algemene huurvoorwaardenArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens exploitatie seksinrichting en overlast met ontruiming

De zaak betreft een huurovereenkomst tussen Stichting Hef Wonen en een huurder die via een bewindvoerder handelt. De huurder exploiteerde een seksinrichting in de woning, wat leidde tot ernstige overlast en schending van de huurovereenkomst. Hef Wonen vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.

De kantonrechter oordeelde dat de huurder tekort is geschoten in zijn verplichtingen, onder meer door het gebruik van de woning voor niet-bestemde doeleinden, onderverhuur zonder toestemming en het veroorzaken van overlast. Deze tekortkomingen waren voldoende voor ontbinding van de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW Pro en bepalingen uit het huurrecht.

De bewindvoerder werd veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. De proceskosten werden aan de zijde van de bewindvoerder vastgesteld en haar werd de kostenveroordeling opgelegd. De tegeneis van de bewindvoerder tot het verkrijgen van een tweede kans of passende woonruimte werd afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de bewindvoerder veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11045021 CV EXPL 24-9963
datum uitspraak: 27 september 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon,
tegen
[gedaagde 1], die handelt onder de naam
[handelsnaam],
vestigingsplaats: [plaatsnaam 1],
in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[gedaagde 2],
woonplaats: [plaatsnaam 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. M. Raaijmakers.
Zij worden hierna ‘Hef Wonen’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 april 2024, met bijlagen 1 tot en met 15;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen 1 en 2;
  • het antwoord in reconventie, met bijlage 16.
1.2.
Op 28 augustus 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met [naam 1], medewerker Sociaal Beheer bij Hef Wonen, en mr. Van de Weteringe Buys-Kroon en met mr. Raaijmakers.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 2] huurt vanaf 10 juli 2014 een woning van Hef Wonen. [gedaagde 1] is aangesteld als bewindvoerder over de gelden en goederen van [gedaagde 2]. Omdat [gedaagde 2] een seksinrichting in zijn woning heeft geëxploiteerd, is [gedaagde 1] gedagvaard. Geëist is de huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde 1] als bewindvoerder van [gedaagde 2] te veroordelen tot ontruiming van de woning en in de kosten. [gedaagde 1] is het daarmee niet eens en vindt dat de eis moet worden afgewezen. [gedaagde 1] heeft een tegeneis ingesteld. De kantonrechter wijst de eis toe en de tegeneis af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
In conventie
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.2.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat op meerdere manieren tekort geschoten is in de nakoming van verplichtingen (artikel 6:265 BW Pro). Doordat [gedaagde 2] een seksinrichting heeft geëxploiteerd in zijn woning heeft hij zich niet als goed huurder gedragen (artikel 7:213 BW Pro), de woning gebruikt voor doeleinden waarvoor deze niet bestemd is (artikel 7:214 BW Pro) en de woning ongeoorloofd in gebruik gegeven aan derden en zonder toestemming onderverhuurd (artikel 15 Algemene Pro huurvoorwaarden). Ook los van de prostitutiewerkzaamheden waartoe [gedaagde 2] tegen betaling gelegenheid heeft geboden, is sprake geweest van overlast in en om zijn woning en niet goed huurderschap, waarvoor [gedaagde 2] verantwoordelijk kan worden gehouden. Onderbouwd is gesteld dat hiervan sprake is geweest zowel voor als na het aantreffen van de seksinrichting. Dit alles is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. [1] Daarbij weegt mee dat uit de feitelijke situatie ter plaatse (zoals in de politierapportage beschreven) blijkt dat [gedaagde 2] moet hebben geweten van de prostitutie in de woning. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn niet onderbouwd. De overlast daarentegen wel.
[gedaagde 1] moet de woning ontruimen
2.3.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde 1] ervoor zorg dragen dat de woning verlaten wordt door [gedaagde 2] met al zijn spullen. Dat moet gebeuren binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
[gedaagde 1] moet de proceskosten betalen
2.4.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt de kosten die [gedaagde 1] aan Hef Wonen moet betalen vast op
€ 139,57 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 779,57. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
In reconventie
Afwijzing tegeneis
2.5.
De eis wordt afgewezen. Geen grond wordt gezien waarom Hef Wonen een zogenoemde tweede kans overeenkomst zou moeten aanbieden aan [naam 2]. Hef Wonen heeft dat gedaan, maar zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hebben het aanbod om met extra voorwaarden te kunnen blijven wonen in de woning niet aanvaard. Dat heeft geleid tot deze procedure met de hierboven vermelde uitkomst. Hef Wonen heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat er onvoldoende basis is voor een tweede kans omdat er geen contact of constructieve samenwerking met de bewindvoerder en [gedaagde 2] is. Dat acht de kantonrechter niet onredelijk. Ook wordt geen grond gezien voor de subsidiaire eis dat Hef Wonen hem een passende woning moet aanbieden. Wat betreft de meer subsidiaire eis, om Hef Wonen te veroordelen tot het geven van voldoende tijd aan [gedaagde 2] om zelf alternatieve woonruimte te vinden, wordt overwogen dat de benodigde tijd onbepaalbaar is en dat onder de gegeven omstandigheden niet van Hef Wonen gevergd kan worden dat zij langer moet wachten op ontruiming dan de hierboven gestelde termijn.
[gedaagde 1] moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt de kosten die [gedaagde 1] aan Hef Wonen moet betalen vast op
€ 204,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 306,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
In conventie en in reconventie
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [gedaagde 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Hef Wonen en [gedaagde 2] en veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden vastgesteld op € 779,57;
In reconventie
3.3.
wijst de eis af;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden vastgesteld op € 306,-;
In conventie en in reconventie
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810