De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 september 2024 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van orale verkrachting op of omstreeks 29 oktober 2022 in Rotterdam. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden. Tijdens de terechtzitting op 9 september 2024 werd het bewijs en de verklaringen van partijen onderzocht.
De aangeefster verklaarde dat zij zonder instemming werd gedwongen tot seksuele handelingen, terwijl verdachte stelde dat het om consensuele seks ging. De rechtbank benadrukte de noodzaak van extra zorgvuldigheid bij de bewijswaardering in zedenzaken, vooral bij tegenstrijdige verklaringen zonder aanvullend steunbewijs. De verklaring van een getuige werd niet als steunbewijs geaccepteerd omdat deze slechts hoorde wat aangeefster had verteld.
De rechtbank constateerde onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen, zoals het ontbreken van een verklaring waarom de aangeefster niet vertrok ondanks haar ongemak, en het verschil tussen haar aangifte en spreekrechtverklaring over het zoenen met verdachte. Hierdoor kon de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het ten laste gelegde feit en sprak hij vrij.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- omdat de verdachte werd vrijgesproken. Tevens werd zij veroordeeld in de kosten van de verdediging, die nihil werden begroot.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, bestaande uit voorzitter A.M. van der Leeden en rechters N.M. Ketelaar en R.E. Drenth.