Tussen huurder [persoon A] en verhuurder Spring E heeft een huurovereenkomst bestaan voor een woning in Rotterdam. Na het einde van de huurovereenkomst vroeg [persoon A] de terugbetaling van de waarborgsom van €1.550,-, die Spring E aanvankelijk weigerde terug te betalen wegens een vermeende huurachterstand.
Spring E stelde dat de huurachterstand hoger was dan de waarborgsom en vorderde via reconventie een bedrag van €2.052,61. Tijdens de procedure bleek dat Spring E de waarborgsom op 26 maart 2024 alsnog had terugbetaald, waardoor de oorspronkelijke vordering van [persoon A] niet meer toewijsbaar was.
De kantonrechter oordeelde dat de vermeende huurachterstand slechts betrekking had op de maand september 2021, die [persoon A] bevrijdend had betaald aan de toenmalige beheerder Interhouse, omdat hij niet op de hoogte was van de eigendomsoverdracht aan Spring E. Spring E had onvoldoende onderbouwing geleverd voor andere achterstanden en had niet adequaat gereageerd op betwisting van [persoon A].
Verder werd geoordeeld dat Spring E onrechtmatig had gehandeld door onterecht de waarborgsom niet terug te betalen en onterecht incassokosten te vorderen. Daarom werd Spring E veroordeeld tot betaling van incassokosten, wettelijke rente en volledige proceskosten van €2.725,81. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.