De zaak betreft een verzetprocedure van [gedaagde01] tegen een verstekvonnis uit 2008 waarbij hij werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan Lindorff, de rechtsvoorgangster van Intrum. [gedaagde01] betwist de overeenkomst met T-Mobile en stelt nooit facturen te hebben ontvangen. Hij ging in verzet tegen het verstekvonnis en eiste afwijzing van de vordering.
Intrum stelde dat het verzet te laat was ingesteld omdat [gedaagde01] al ruim voor de betekening van de verzetdagvaarding bekend was met de inhoud van het verstekvonnis, onder meer door handelingen van zijn vertegenwoordiger. De kantonrechter oordeelde dat uit e-mails van de gemachtigde van [gedaagde01] blijkt dat deze bekend was met het verstekvonnis en dat dit vermoedelijk ook aan [gedaagde01] is meegedeeld.
Omdat het verzet niet binnen vier weken na de daad van bekendheid was ingesteld, werd [gedaagde01] niet-ontvankelijk verklaard. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten, omdat Intrum om compensatie had verzocht.