De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor pleegzorg. De minderjarige verblijft momenteel bij haar zus, terwijl de moeder het ouderlijk gezag houdt. Eerder was de machtiging verlengd tot 6 maart 2024. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt nu om verlenging tot 6 september 2024.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat de situatie rondom de moeder is verbeterd, mede doordat zij onder behandeling is en medicatie gebruikt. De omgang tussen moeder en minderjarige verloopt goed, en ook de relatie tussen moeder en zus is verbeterd. De moeder wil graag dat de minderjarige weer thuis komt wonen, en de minderjarige zelf geeft ook aan bij de moeder te willen zijn.
Desondanks is de hulpverlening aan de moeder gestagneerd omdat zij weigert de resultaten van een IQ-onderzoek te delen, waardoor passende behandeling niet is ingezet. Hierdoor blijft de situatie van de moeder instabiel en is onvoldoende duidelijk of zij de zorg voor de minderjarige weer kan overnemen. De kinderrechter acht het belang van de veiligheid en stabiliteit van de minderjarige voorop en besluit daarom de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor zes maanden.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er is ruimte voor uitbreiding van omgangsmomenten indien dit veilig kan. Het hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.