AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontbinding huurovereenkomst wegens langdurige huurachterstand en oneerlijke bedingen
De huurder heeft een huurachterstand van meer dan twaalf maanden opgebouwd, waardoor de verhuurders de ontbinding van de huurovereenkomst vorderen. De huurder heeft niet inhoudelijk gereageerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de vordering. Er was eerder een procedure geweest over gebreken in de woning, waarbij de huurprijs tijdelijk met 60% werd verlaagd tot de gebreken waren hersteld op 11 maart 2022.
De kantonrechter corrigeert de berekening van de huurachterstand doordat de huurprijs tot en met 11 maart 2022 verlaagd gold. Dit leidt tot een vastgestelde achterstand van €6.558,36. Deze achterstand is ernstig genoeg voor ontbinding van de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 BWPro.
De kantonrechter oordeelt dat de bepalingen in de algemene voorwaarden over incassokosten en rente oneerlijk zijn en niet kunnen worden toegepast. De huurder hoeft daarom geen incassokosten of rente te betalen. De proceskosten worden wel aan de huurder opgelegd.
De huurder krijgt een laatste kans om binnen een maand de achterstand en proceskosten te voldoen, zodat ontbinding kan worden voorkomen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, waardoor het direct kan worden uitgevoerd.
Uitkomst: De huurder moet €6.558,36 betalen en bij uitblijven betaling binnen een maand wordt de huurovereenkomst ontbonden en moet de woning worden ontruimd.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10926623 CV EXPL 24-3569
datum uitspraak: 8 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1..[eiser 1] ,
woonplaats: Rotterdam,
2.[eiser 2],
woonplaats: Bergschenhoek,
eisers,
gemachtigde: mr. J.J. Blok,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1+2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1.De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 5 februari 2024, met bijlagen;
de rolbeslissingen van 26 april 2024 en 21 juni 2024;
de akte van [eiser 1+2] , met een vermindering van de eis, met bijlagen;
de rolbeslissing van 13 september 2024.
1.2.
[gedaagde] heeft in de rolbeslissingen de gelegenheid gekregen om te reageren, maar hij heeft dat niet gedaan.
2.De beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] huurt een woning van [eiser 1+2] . Volgens [eiser 1+2] heeft [gedaagde] een huurachterstand van € 6.664,46. [eiser 1+2] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om die achterstand te betalen, met rente en buitengerechtelijke kosten. Ook eist [eiser 1+2] dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en [gedaagde] veroordeelt om de woning te ontruimen.
2.2.
[gedaagde] heeft niet inhoudelijk gereageerd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het klopt wat [eiser 1+2] stelt. De eisen van [eiser 1+2] worden bijna helemaal toegewezen. [gedaagde] krijgt nog wel een laatste kans. In dit vonnis legt de kantonrechter dit uit.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 6.558,36 betalen
2.3.
In 2021 is [gedaagde] een procedure tegen [eiser 1+2] gestart, omdat er volgens hem gebreken waren in de woning. Het ging om schimmelsporen en de afwezigheid van een gaskachel. De kantonrechter heeft [eiser 1+2] in die procedure veroordeeld om die gebreken te herstellen en heeft de huurprijs vanaf 14 februari 2020 met 60% verlaagd.
2.4.
Volgens [eiser 1+2] zijn de gebreken per 11 maart 2022 hersteld. Zij stelt dat [gedaagde] vanaf maart 2022 de volledige huur dus ook weer moet betalen, maar dat hij altijd de verlaagde huur is blijven betalen. Daardoor is er nu volgens haar een achterstand van € 6.664,46. Omdat [gedaagde] al het voorgaande niet heeft betwist, veroordeelt de kantonrechter hem om die achterstand te betalen.
2.5.
De kantonrechter stelt de achterstand vast op een iets lager bedrag. De huurprijs is namelijk in het eerdere vonnis verlaagd tot en met de dág waarop de gebreken zijn verholpen. [eiser 1+2] schrijft in de dagvaarding dat de gebreken op 11 maart 2022 zijn verholpen. Dat betekent dus dat tot en met die dag de verlaagde huurprijs geldt. [eiser 1+2] heeft echter voor die hele maand weer de ‘normale’ huur gerekend. De kantonrechter corrigeert dat. Voor de eerste 11 dagen gold de verlaagde huurprijs van € 199,35 per maand. Dat komt neer op € 70,74 (€ 199,35 / 31 x 11). Voor de rest van de maand gold de normale huurprijs van € 498,36. Dat komt neer op € 321,52 (€ 498,36 / 31 x 20). [gedaagde] moet voor die maand dus totaal € 392,26 betalen en niet € 498,36, zoals [eiser 1+2] heeft gerekend. De huurachterstand wordt daarom vastgesteld op € 106,10 minder (€ 498,36 - € 392,26). Dat leidt tot een huurachterstand van € 6.558,36 (€ 6.664,46 - € 106,10).
De huurachterstand is ernstig genoeg voor ontbinding van de huurovereenkomst
2.6.
[gedaagde] is verplicht om de huur op tijd te betalen en heeft dat niet gedaan. Hij heeft een huurachterstand laten ontstaan van meer dan een jaar. Zo’n grote huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 BWPro). [1]
2.7.
[eiser 1+2] heeft de betalingsachterstand niet gemeld bij de gemeente (artikel 2 BesluitPro gemeentelijke schuldhulpverlening). In dit geval verbindt de kantonrechter daar geen gevolgen aan, omdat de achterstand niet is gebaseerd op schuldenproblematiek, maar op een kennelijk bewuste keuze van [gedaagde] .
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.8.
Omdat er sprake is van een overeenkomst tussen een consument en een partij die zakelijk handelt moet de kantonrechter beoordelen of er in de overeenkomst oneerlijke bepalingen staan, die relevant zijn voor deze zaak. [2] Dat is het geval. De bepaling over de buitengerechtelijke kosten in de algemene voorwaarden (artikel 22.3 en 22.4) is namelijk oneerlijk, omdat die afwijkt van de wet (artikel 6:96 BWPro) in het nadeel van de consument. Er staat dat [gedaagde] alle buitengerechtelijke kosten moet betalen, die worden vastgesteld op tenminste 15%, met een minimum van € 250,-. Op grond van de wet die bij het aangaan van de overeenkomst (1999) gold hoefde [gedaagde] alleen maar de redelijke kosten te betalen. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [eiser 1+2] daar geen beroep op doen en kan hij ook geen aanspraak maken op incassokosten die volgen uit de wet. [3]
[gedaagde] hoeft geen rente te betalen
2.9.
Voor de rente die [eiser 1+2] eist geldt hetzelfde. In de algemene voorwaarden staat hierover een oneerlijke bepaling (artikel 22.2). De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] 1% rente per maand moet betalen. Dat is veel hoger dan de wettelijke rente van (destijds) 6% per jaar. Dat maakt de bepaling oneerlijk. [eiser 1+2] mag daarom geen beroep doen op die bepaling en ook niet in plaats daarvan op de wettelijke rente.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 RvPro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser 1+2] moet betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 339,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 858,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
[gedaagde] krijgt nog een laatste kans
2.11.
[gedaagde] krijgt nog een laatste kans om de ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen (artikel 7:280 BWPro). Als hij binnen een maand alle bedragen uit dit vonnis aan [eiser 1+2] betaalt, blijft de huurovereenkomst toch bestaan. De kantonrechter ziet daarvoor aanleiding omdat [gedaagde] deze achterstand wellicht bewust heeft laten ontstaan, omdat de kantonrechter er op basis van de informatie in de dagvaarding vanuit gaat dat [gedaagde] vindt dat hij nog steeds de verlaagde huur mag betalen. Zoals uit dit vonnis blijkt volgt de kantonrechter dit (juridische) standpunt niet. De gevolgen daarvan zijn erg groot, terwijl [gedaagde] al 25 jaar in de woning woont.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt, met inachtneming van 2.11, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser 1+2] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 RvPro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1+2] € 6.558,36 te betalen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1+2] worden begroot op € 858,72;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af;
en, als [gedaagde] niet binnen een maand na de datum van dit vonnis alle bedragen die worden genoemd in 3.1 en 3.2 aan [eiser 1+2] betaalt:
3.5.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen daarna de woning op het adres Schoonderloostraat 183 in Rotterdam te ontruimen en leeg en ontruimd op te leveren aan [eiser 1+2] en daarbij alle sleutels te overhandigen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.