ECLI:NL:RBROT:2024:11253

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 november 2024
Publicatiedatum
13 november 2024
Zaaknummer
C/10/667017 / JE RK 23-2414
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2013. De minderjarige verblijft in een netwerkpleeggezin en de moeder heeft het ouderlijk gezag.

De kinderrechter nam verschillende rapportages, eerdere beschikking en het proces-verbaal van de zitting in behandeling. Tijdens de mondelinge behandeling op 17 mei 2024 waren de advocaat van de moeder en vertegenwoordigers van de GI aanwezig, maar de moeder en pleegmoeder waren niet verschenen.

De GI handhaafde het verzoek tot verlenging van beide maatregelen, met het oog op hulpverlening gericht op traumaverwerking en hechtingsproblematiek. De moeder stemde in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzette zich tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat zij inmiddels een eigen woning heeft en de minderjarige vaker bij haar verblijft.

De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling aanwezig zijn en verlengde deze voor zes maanden. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing werd echter afgewezen omdat deze niet langer noodzakelijk is; de GI kon onvoldoende onderbouwen waarom verlenging nodig is en de situatie bij de moeder is verbeterd. De kinderrechter benadrukte het belang van zorgvuldige thuisplaatsing met begeleiding en hulpverlening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 3 december 2024 en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/667017 / JE RK 23-2414
Datum uitspraak: 17 mei 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteland] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Asal te Rotterdam,
[pleegmoeder],
hierna te noemen de pleegmoeder, wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 november 2023 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 24 april 2024;
  • het proces-verbaal van de zitting op 10 mei 2024;
- de briefrapportage met bijlagen van de GI van 16 mei 2024.
1.2.
Op 17 mei 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de moeder;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De moeder en de pleegmoeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de pleegmoeder wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 november 2023 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 3 juni 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 november 2023 ook de machtiging verlengd [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 3 juni 2024.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verlenging verzocht van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op dit moment moet er nog beslist worden op de resterende termijn van zes maanden, te weten tot 3 december 2024.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Een verlenging van de maatregelen met zes maanden is nodig om de hulpverlening gericht op traumaverwerking en hechtingsproblematiek in te zetten. [voornaam minderjarige] is aangemeld voor de training “Tem je Draak”. Omdat de training alleen bij voldoende aanmeldingen zal starten en het daardoor onduidelijk is wanneer dit zal zijn, wordt er samen met de pleegzorgmedewerker gekeken naar alternatieven. Daarnaast zal Video Interactie Begeleiding (hierna: VIB) worden ingezet om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder draagt de zorg over een ander zoontje, waar ook zorgen over zijn. Het is onduidelijk of de moedervoldoende in staat is en over voldoende draagkracht beschikt om aan te sluiten bij de specifieke opvoedbehoeften van [voornaam minderjarige] , gelet op zijn hechtingsproblematiek. Het klopt dat [voornaam minderjarige] op dit moment vaker bij de moeder verblijft dan de jeugdbeschermers weten. Dat gebeurt zonder medeweten van de jeugdbescherming en wordt door de vingers gezien.
Desgevraagd zijn er geen signalen dat het niet goed gaat met [voornaam minderjarige] op dit moment. Vanuit school komen geen zorgelijke signalen naar voren. Daarnaast is [voornaam minderjarige] op 8 maart jongstleden voor het laatst gesproken. De ontwikkelingsbedreiging is gelegen in de hechtingsproblematiek.
4.2.
Namens de moeder is tijdens de mondelinge ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling en verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder begrijpt niet waarom [voornaam minderjarige] nog niet thuis kan worden geplaatst. Er is altijd gezegd dat de [voornaam minderjarige] naar huis zou kunnen zodra de moeder een woning heeft. De moeder beschikt inmiddels over een eigen woning en deze is door de jeugdbeschermer goed genoeg bevonden. Ook zijn er geen zorgen over haar opvoedvaardigheden. Desondanks stelt de GI dat eerst VIB nodig is om te onderzoeken wat er nodig is, alvorens [voornaam minderjarige] kan worden thuisgeplaatst. Sinds enige tijd verblijft [voornaam minderjarige] al vaker bij de moeder dan in de briefrapportage van de GI staat vermeld, omdat de pleegmoeder vanwege haar werk minder beschikbaar is. De moeder vraagt zich daarom af wat de toegevoegde waarde van VIB dan nog is. Binnen de ondertoezichtstelling kan voldoende zicht worden gehouden op de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] .
5.
De beoordeling
5.1.
Gelet op het feit dat tijdens de mondelinge behandeling geen verweer is gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel is dat de gronden van de ondertoezichtstelling zoals gesteld in art. 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) aanwezig zijn, zal de ondertoezichtstelling als onweersproken worden verlengd voor de duur van de resterende zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling volgt voorts dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
5.3.
[voornaam minderjarige] is in 2019 uithuisgeplaatst vanwege een instabiele opvoedingssituatie bij de moeder. De moeder had geen eigen woning en verbleef met [voornaam minderjarige] op verschillende plekken. Op de zitting in november 2023 was iedereen het er over eens dat [voornaam minderjarige] zou opgroeien bij de pleegmoeder. Hier is inmiddels een fundamentele kanteling in gekomen en (ook) volgens de GI ligt het perspectief van [voornaam minderjarige] bij de moeder thuis. De moeder heeft een eigen woning waar zij samen met haar kinderen kan verblijven. Deze woning is goed genoeg bevonden door de GI. In de komende periode wil de GI VIB inzetten om te onderzoeken of de moeder voldoende kan aansluiten bij de specifieke opvoedbehoeften van [voornaam minderjarige] , alvorens tot een thuisplaatsing over wordt gegaan. Ter zitting is duidelijk geworden dat de pleegmoeder minder beschikbaar is voor [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige] daarom veel vaker bij de moeder verblijft dan dat de GI weet. De GI ziet dit door de vingers, omdat zij [voornaam minderjarige] niet willen verbieden om zijn moeder te zien, aldus de GI.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI onvoldoende weet te onderbouwen waarom een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is. Dit klemt te meer nu de GI zich geen grote zorgen lijkt te maken over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] en de situatie zoals die nu is, namelijk dat [voornaam minderjarige] vaker bij zijn moeder is zonder dat de GI precies weet hoe vaak, ongecontroleerd toelaat. Ook vanuit school komen er geen zorgelijke signalen naar voren. Hoewel de kinderrechter het noodzakelijk acht dat er zicht komt op de opvoedvaardigheden en de draagkracht van de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat dit ook kan worden onderzocht wanneer [voornaam minderjarige] thuis woont. Zowel [voornaam minderjarige] als de moeder willen graag dat [voornaam minderjarige] weer thuis komt te wonen. De kinderrechter acht het van belang dat geïnvesteerd wordt in hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder en dat de onduidelijkheid wordt weggehaald. De huidige machtiging tot uithuisplaatsing loopt nog tot 3 juni 2024. Het is van belang dat die periode wordt gebruikt voor een zorgvuldige thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder, waarbij hulpverlening en begeleiding worden ingezet in de thuissituatie.
5.5.
De kinderrechter wijst het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 3 december 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2024 door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.A. Graven als griffier, en op schrift gesteld op 30 mei 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.