Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] , en
1.De procedure
- de dagvaarding van 26 april 2024, met bijlagen, en het herstelexploot van 22 mei 2024;
- de rolbeslissing van 3 juli 2024;
- de akte.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen eiser en gedaagden over het niet nakomen van een vaststellingsovereenkomst die een betalingsregeling bevatte na het einde van een huurovereenkomst. Eiser vordert betaling van een restantbedrag van €8.543,- plus rente en kosten.
Gedaagden zijn niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De rechtbank oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst niet in strijd is met goede zeden, openbare orde of dwingend recht en dat de vordering op basis hiervan toewijsbaar is. De eis betreft geen huurovereenkomst maar de nakoming van een betalingsregeling uit de vaststellingsovereenkomst, waardoor Richtlijn 93/13 EG niet van toepassing is.
De incassokosten van €601,03 worden afgewezen omdat de aanzegging niet rechtstreeks aan gedaagden is gedaan. De proceskosten van €860,80 worden aan gedaagden opgelegd. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €8.543,- met rente en proceskosten van €860,80 wegens niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst.