ECLI:NL:RBROT:2024:11398

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2024
Publicatiedatum
15 november 2024
Zaaknummer
11016492 CV EXPL 24-8513
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Algemene VoorwaardenArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens ontbreken hoofdverblijf in woning

Stichting Woonstad Rotterdam vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van een woning die zij verhuurt aan de gedaagde, omdat deze niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Na signalen in 2022 werd onderzoek verricht door Woonstad en de gemeente Rotterdam, waarbij herhaaldelijk bleek dat de huurder niet aanwezig was en buren hem nauwelijks zagen. Verzoeken om bewijs van hoofdverblijf werden niet of onvoldoende beantwoord.

De rechtbank oordeelt dat de huurder tekort is geschoten in zijn verplichting om hoofdverblijf in de woning te hebben, zoals vereist in de algemene voorwaarden. Ondanks het feit dat de huurder is ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres, is dit onvoldoende om het hoofdverblijf aan te tonen. De huurder heeft geweigerd aanvullende informatie te verstrekken uit privacyoverwegingen, wat niet tot zijn voordeel werkt.

De ontbinding van de huurovereenkomst wordt toegewezen en de gedaagde wordt veroordeeld de woning binnen veertien dagen na betekening te ontruimen. De vordering tot betaling van misgelopen huurharmonisatie wordt afgewezen vanwege betwisting over de maximale huurprijs. De proceskosten worden aan de gedaagde opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11016492 CV EXPL 24-8513
datum uitspraak: 25 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. van der Hoeff,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J. van Cortenberghe-van Dam.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 25 maart 2024, met bijlagen 1 tot en met 18;
  • het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 5;
  • de mail van [gedaagde] , met bijlage 6.
1.2.
Op 27 september 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon A] , sociaal beheerder voor Woonstad, en mr. Van der Hoeff en met [gedaagde] en
mr. Van Cortenberghe-van Dam.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
Woonstad eist onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning, omdat hij daar niet zijn hoofdverblijf heeft. Dit wordt toegewezen.
Wat is er gebeurd?
2.2.
Woonstad verhuurt aan [gedaagde] de woning aan de [adres] te Rotterdam. De woning maakt onderdeel uit van een galerijflat. Het betreft een 55+ complex.
2.3.
Omdat Woonstad begin 2022 signalen kreeg dat [gedaagde] er niet woont, is daarnaar onderzoek verricht in 2022, 2023 en begin 2024. Herhaaldelijk is de woning bezocht door medewerkers van Woonstad. De gemeente Rotterdam heeft dat ook meermaals gedaan. [gedaagde] is steeds niet door Woonstad aangetroffen. Buren hebben verklaard [gedaagde] al jarenlang niet of nauwelijks te hebben gezien. Door buren is ook geen leefgeluid gehoord vanuit de woning van [gedaagde] . Op brieven met verzoeken van Woonstad om contact op te nemen, is niet gereageerd. [gedaagde] heeft ook niet voldaan aan verzoeken van Woonstad om stukken over te leggen waaruit blijkt dat hij in de woning woont. Er heeft op 14 november 2023 een gesprek met [gedaagde] plaatsgevonden op het kantoor van Woonstad, maar ook bij die gelegenheid heeft [gedaagde] niet de gevraagde stukken overgelegd en bij huisbezoeken nadien door medewerkers van Woonstad en van de gemeente was hij niet aanwezig. Op 18 december 2023 heeft een medewerker van de gemeente een houtje tussen de deursponning geplaatst, welk houtje er nog bleek te zitten bij een volgend bezoek op 9 januari 2024. Bij brief van 17 januari 2024 is [gedaagde] weer gevraagd om met stukken aan te tonen dat hij in de woning woont, maar dat heeft hij niet gedaan. Bij brief van 14 februari 2024 heeft de gemachtigde van Woonstad [gedaagde] nogmaals in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat hij in de woning woont en verzocht anders tot opzegging van de huur over te gaan. Beiden heeft hij niet gedaan, waarna Woonstad tot dagvaarding is overgegaan.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.4.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht is om zijn hoofdverblijf te hebben in de van Woonstad gehuurde woning (artikel 9.6 Algemene Voorwaarden) en vast is komen te staan dat hij hierin tekortgeschoten is. Zoals hierboven uiteengezet, heeft Woonstad onderbouwd gesteld dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning, wat gebaseerd is op onderzoek verricht door haarzelf en de gemeente. Natuurlijk betreft het onderzoek momentopnamen, maar het beeld dat daaruit consequent naar voren komt, heeft [gedaagde] niet ontkracht, ook niet in deze procedure. Zo heeft [gedaagde] geen bankafschriften overgelegd, waaruit zou kunnen blijken dat hij in de omgeving van de woning geld pint en boodschappen doet. Ook zijn geen afschriften verstrekt van jaarafrekeningen voor water- en energieverbruik van de afgelopen drie jaar. Evenmin zijn bewijzen overgelegd van het gebruik van het openbaar vervoer in de nabijheid van de woning, wat voor de hand zou hebben gelegen als hij geen auto heeft maar gebruik maakt van het openbaar vervoer, zoals [gedaagde] volgens Woonstad op 14 december 2023 heeft verklaard. Verklaringen van omwonenden of anderen die in zijn voordeel zouden kunnen strekken, zijn ook niet in het geding gebracht door [gedaagde] . Het enige dat is overgelegd, is een bericht van de gemeente dat de BRP-inschrijving op het adres in stand blijft. Dat is op zichzelf echter onvoldoende om aan te tonen dat [gedaagde] op dat adres ook daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft. Van de zijde van [gedaagde] is te kennen gegeven dat hij om privacy redenen niet meer informatie wil verstrekken. Dat mag maar wel leidt tot de conclusie dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Dit is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen, want Woonstad heeft zich tot doel gesteld betaalbare woningen te verhuren aan minder draagkrachtigen, waar een enorm tekort aan is. Omdat Woonstad er belang bij heeft dat haar woningen daadwerkelijk worden bewoond, wordt de eis tot ontbinding toegewezen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
2.5.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
Afwijzing misgelopen huurharmonisatie
2.6.
De eis om [gedaagde] ook te veroordelen tot betaling aan Woonstad van € 172,38 per maand aan misgelopen huurharmonisatie vanaf 1 april 2024 tot en met de maand van de ontruiming wordt afgewezen. Het standpunt van Woonstad dat zij de woning per die datum had kunnen verhuren tegen een huurprijs die € 172,38 hoger was dan de huurprijs van [gedaagde] , kan niet zonder meer worden gevolgd, mede gezien de betwisting op het punt van de maximale huurprijs conform het woningwaarderingsstelsel.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt de kosten die [gedaagde] aan Woonstad moet betalen vast op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal
€ 776,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] , [postcode] , te Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden vastgesteld op € 776,72;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
465