AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot schadevergoeding na vrijspraak voorhanden hebben vuurwapen
De verzoeker werd op 12 maart 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. Vervolgens diende verzoeker een verzoek in op grond van artikel 533 SvPro voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van het voorarrest en een verzoek op grond van artikel 530 SvPro voor vergoeding van kosten rechtsbijstand.
De rechtbank behandelde het verzoek op 11 oktober 2024 in een openbare raadkamer. Verzoeker was niet verschenen, maar zijn advocaat en de officier van justitie werden gehoord. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat er geen gronden van billijkheid waren voor vergoeding, omdat de vrijspraak het gevolg was van onvoldoende bewijs dat verzoeker het vuurwapen daadwerkelijk voorhanden had tijdens de tenlastegelegde periode.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker weliswaar niet is veroordeeld, maar dat uit het vonnis blijkt dat hij op enig moment beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad. Hierdoor is het aan zichzelf te wijten dat hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Daarom zijn er geen billijkheidsgronden voor vergoeding van immateriële schade of kosten rechtsbijstand. Beide verzoeken werden afgewezen.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen een maand na betekening. De beschikking werd gegeven door rechter A.M.G. van de Kragt en griffier J.D. Schmahl op 11 oktober 2024.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding immateriële schade en kosten rechtsbijstand afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummer : 10-279364-23
raadkamernummers: 24-015719 en 24-019720
datum : 11 oktober 2024
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[naam verzoeker] , verzoeker,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te (3011 XZ) Rotterdam, Boompjes 404,
ten kantore van zijn advocaat mr. T. Altindag.
Procedure
Het verzoekschrift is op 24 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 11 oktober 2024 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld en de advocaat en officier van justitie mr. M. van Heemst op zitting gehoord.
De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Verzocht is dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor:
- immateriële schade als gevolg van het voorarrest, verzocht is een bedrag van
€ 8.930,=.
Toelichting.
Er is geen sprake van laakbaar gedrag. Als het OM ervan overtuigd was dat er een veroordeling in zat en dat de vrijspraak het gevolg was van een technische fout in de tenlastelegging, dan had het OM in hoger beroep kunnen gaan. De verzoeker heeft een concrete verklaring afgelegd in een vroeg stadium, namelijk bij de rechter-commissaris. De DNA-match is nietszeggend, omdat zijn DNA ook op een andere manier op het vuurwapen terecht kan zijn gekomen. De raadsvrouw vindt het te kort door de bocht om hieraan de conclusie te verbinden dat hij het voorhanden heeft gehad.
Voorts is verzocht dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor:
- kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 680,=.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding. Er zijn geen gronden van billijkheid vanwege laakbaar gedrag. Uit het vonnis blijkt dat verzoeker slechts is vrijgesproken, omdat de rechtbank niet kon vaststellen dat hij het vuurwapen voorhanden heeft gehad ‘tijdens de ten laste gelegde pleegperiode’. De rechtbank stelde vast dat de verzoeker wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen en dat hij op enig moment de beschikkingsmacht daarover heeft gehad, naast het feit dat zijn DNA erop is aangetroffen.
Feiten
De verzoeker is op 12 maart 2024 door de meervoudige kamer van deze rechtbank vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en (voor dit vuurwapen geschikte) munitie. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 SvPro op verzoek van de gewezen verdachte – indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel – hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij ten gevolge van ondergaan voorarrest heeft geleden. De toekenning van een dergelijke vergoeding heeft ingevolge artikel 534 SvPro plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.
Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat zij heeft vastgesteld dat verzoeker op enig moment beschikkingsmacht heeft gehad over het aangetroffen vuurwapen. Zij kon echter niet vaststellen of dat ook in de tenlastegelegde periode was. Dat verzoeker een vuurwapen voorhanden heeft gehad maakt dat hij het in overwegende mate aan zichzelf te wijten heeft dat hij in verzekering is gesteld en in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Bij die stand van zaken is het niet redelijk dat zijn schade uit de algemene middelen wordt vergoed. De rechtbank ziet dan ook geen gronden van billijkheid voor toekenning van het verzoek.
De beslissing van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 533 SvPro brengt met zich dat er in deze zaak ook geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor vergoeding van de kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. Ook dit
verzoek zal daarom worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
t.a.v. het onder RK-nummer 24-015719 ingeschreven verzoek:
wijst het verzoek af.
t.a.v. het onder RK-nummer 24-015720 ingeschreven verzoek:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.M.G. van de Kragt, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2024.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
dat hij/zij kennis heeft genomen van de beschikking(en) ex artikel(en) 533 (oud 89) en / of 530 (oud 591a) van het Wetboek van Strafvordering gegeven d.d. ………………… op verzoek van verzoeker voornoemd;
dat hij/zij namens verzoeker instemt met het niet betekenen van de hierboven genoemde beschikking(en) aan verzoeker;
dat hij/zij namens verzoeker afstand doet van het recht om hoger beroep aan te tekenen tegen de hierboven genoemde beschikking(en);