ECLI:NL:RBROT:2024:11420

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
10974827 CV EXPL 24-6584
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting voor boekhoudkundige werkzaamheden ondanks betwiste afspraak over eenmanszaak

Partijen zijn een overeenkomst van opdracht aangegaan waarbij eiseres boekhoudkundige werkzaamheden voor de eenmanszaak van gedaagde zou verrichten. Vaststaat dat eiseres deze werkzaamheden ook heeft verricht en dat gedaagde de facturen daarvoor niet heeft betaald.

Gedaagde stelde dat vanaf de oprichting van zijn besloten vennootschap de werkzaamheden voor de eenmanszaak kosteloos erbij zouden worden gedaan, omdat de eenmanszaak geen activiteiten meer verrichtte. Eiseres heeft dit gemotiveerd betwist en gedaagde heeft dit niet kunnen bewijzen.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde gehouden is tot betaling van de facturen ter waarde van € 3.757,50, vermeerderd met rente en incassokosten. Ook worden de proceskosten aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde is gehouden tot betaling van € 4.480,32 inclusief rente en incassokosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10974827 CV EXPL 24-6584
datum uitspraak: 15 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [plaatsnaam 1],
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de namen
[handelsnaam 1] en [handelsnaam 2],
woonplaats: [plaatsnaam 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. G. te Riet.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 20 februari 2024, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de brief van [eiseres] van 1 oktober 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 14 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens [eiseres] aanwezig [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door de heer mr. J.A. Wesdijk als gemachtigde. Daarnaast is [gedaagde] verschenen.

2.Het geschil

2.1.
[eiseres] eist samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 4.480,32 met rente;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 3.757,50, rente van € 222,07 (berekend tot en met 19 februari 2024) en buitengerechtelijke kosten van € 500,75.
2.2.
[eiseres] baseert de eis op het volgende. [eiseres] is met [gedaagde] een overeenkomst van opdracht aangegaan. Op grond van deze overeenkomst heeft [eiseres] (onder bijlevering van materiaal) diverse werkzaamheden voor [gedaagde] verricht. Deze werkzaamheden hebben bestaan uit het verzorgen, berekenen en opstellen van de rapporten van de jaarrekeningen van de eenmanszaak van [gedaagde] over de boekjaren 2021 en 2022. De daarvoor aan [gedaagde] verzonden facturen zijn, ondanks herhaalde sommatie daartoe, niet betaald.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. [eiseres] verzorgde in het verleden de boekhouding voor de eenmanszaak van [gedaagde]. Op advies van [eiseres] heeft [gedaagde] op enig moment een besloten vennootschap opgericht ([naam bedrijf]) en de activiteiten uit de eenmanszaak daarin onder gebracht. Door het oprichten van [naam bedrijf] werden er geen activiteiten meer verricht in de eenmanszaak en werd er ook geen omzet gegenereerd. Vanaf dat moment heeft [eiseres] voor haar werkzaamheden gefactureerd aan [naam bedrijf], welke facturen door [gedaagde] ook gewoon zijn betaald.
Afgesproken is tussen partijen dat [eiseres] de werkzaamheden van de eenmanszaak ‘erbij zou doen’ omdat er toch geen activiteiten plaatsvonden in de eenmanszaak. De facturen waarvan betaling wordt geëist zijn volgens [gedaagde] uitgereikt zonder dat daarvoor een tegenprestatie is verricht. [gedaagde] is dan ook van mening dat deze facturen moeten worden gecrediteerd. Daarnaast stelt [gedaagde] dat er in 2023 door hem facturen zijn betaald voor zijn eenmanszaak waarvoor (wel) werkzaamheden door [eiseres] zijn verricht.

3.De beoordeling

Kernvraag en uitkomst
3.1.
Kern van het geschil betreft de vraag of [gedaagde] gehouden is tot betaling van de twee facturen d.d. 30 augustus 2023 (met de kenmerken 2023.241 en 2023.242). Naar het oordeel van de kantonrechter moet [gedaagde] deze facturen betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 3.757,50 betalen
3.2.
Vaststaat dat partijen een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan – kort gezegd – inhoudende dat [eiseres], tegen betaling, boekhoudkundige werkzaamheden voor de eenmanszaak van [gedaagde] zou gaan verrichten. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] op enig moment [naam bedrijf] heeft opgericht, waarbij er (een deel van de) activiteiten van de eenmanszaak in [naam bedrijf] zijn ondergebracht. Vanaf de oprichting van [naam bedrijf] heeft [eiseres] werkzaamheden voor [naam bedrijf] verricht en de daarvoor aan [gedaagde] verzonden facturen zijn door [gedaagde] ook betaald.
3.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [eiseres] voor de boekjaren 2021 en 2022 werkzaamheden voor de eenmanszaak van [gedaagde] heeft verricht. Uit de door [eiseres] bij brief van 1 oktober 2024 overgelegde aanvullende producties volgt namelijk dat [eiseres] voor wat betreft deze jaren de rapporten voor de aangifte inkomstenbelasting en de jaarrekeningen heeft opgesteld. Op basis van het uittreksel van de Kamer van Koophandel kan worden vastgesteld dat de eenmanszaak van [gedaagde] niet is opgeheven en uit de aanvullende stukken van [eiseres] volgt bovendien dat er in 2021 en 2022 nog wel enkele activiteiten plaatsvonden in de eenmanszaak. [gedaagde] heeft de inhoud van deze stukken niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Het verweer van [gedaagde], inhoudende dat [eiseres] voor de verzonden facturen geen tegenprestatie heeft verricht, treft dan ook geen doel.
3.4.
[eiseres] heeft het bestaan van de afspraak, inhoudende dat zij vanaf de oprichting van [naam bedrijf] de eenmanszaak er (zonder extra kosten) bij zou doen, gemotiveerd betwist. Omdat [gedaagde] zich op de rechtsgevolgen van zijn stelling beroept en deze stelling door [eiseres] gemotiveerd is betwist, ligt het ingevolge artikel 150 Rv Pro op de weg van [gedaagde] om het bewijs van die stelling te leveren. [gedaagde] heeft de door hem gestelde afspraak op geen enkele wijze onderbouwd. Het bestaan van die afspraak is naar het oordeel van de kantonrechter in rechte dan ook niet komen vast te staan. Door [gedaagde] is geen bewijsaanbod gedaan en de kantonrechter ziet evenmin aanleiding om hem ambtshalve tot bewijslevering toe te laten.
3.5.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] de facturen voor een totaalbedrag van € 3.757,50 aan [eiseres] moet betalen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 500,75 betalen
3.6.
De incassokosten van € 500,75 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
[gedaagde] moet rente betalen
3.7.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 115,12 aan dagvaardingskosten, € 496,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.288,12. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.480,32 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.757,50 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.288,12;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
495