Verzoekster diende op 13 maart 2024 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van €187.558,59. Tijdens de zitting op 13 juni 2024 werd vastgesteld dat een deel van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek is ontstaan. Verzoekster was van januari 2022 tot januari 2023 gedetineerd vanwege verdenking van witwassen en mensenhandel.
Verzoekster verklaarde dat zij had geregeld dat iemand anders haar vaste lasten zou betalen tijdens haar detentie, maar dit is niet gebeurd, waardoor schulden zijn ontstaan die niet te goeder trouw zijn. Daarnaast heeft zij een grote schuld aan de Belastingdienst voortkomend uit haar eenmanszaak die zij sinds 2016 voerde. Deze schuld is mede ontstaan door het niet adequaat uitvoeren van boekhoudkundige taken door haar boekhouder en het ontbreken van een afsluitende boekhouding vanaf 2019.
De rechtbank oordeelt dat de ondernemingsschulden in beginsel niet te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten, mede omdat verzoekster geen andere boekhouder heeft gezocht toen zij problemen constateerde. Ook is de omvang van de schuldenlast onduidelijk en bestaat er onzekerheid over de uitkomst van de strafzaak tegen verzoekster. Gezien deze omstandigheden vreest de rechtbank dat verzoekster haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet zal nakomen.
Daarom wordt het verzoek afgewezen. De rechtbank merkt op dat dit oordeel niet uitsluit dat er andere feiten zijn die eveneens tot afwijzing kunnen leiden. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.