ECLI:NL:RBROT:2024:11430
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan steunbewijs bij ontucht met hulpbehoevende cliënt
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van ontuchtpleging met een cliënt die aan zijn hulp en zorg was toevertrouwd, over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2014. De officier van justitie stelde dat de feiten deels verjaard waren en dat de vervolging niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor de periode vóór 18 maart 2009. De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid voor die periode.
De bewijsvoering berustte voornamelijk op de verklaring van de aangeefster, die jaren na de feiten aangifte deed. De rechtbank benadrukte dat bij zedendelicten het bewijs niet mag steunen op één enkele verklaring zonder ondersteunend bewijs. De aangeefster gaf aan moeite te hebben met herinneringen en er waren inconsistenties in haar verklaringen. Getuigenverklaringen boden geen voldoende steunbewijs, en schakelbewijs werd niet geaccepteerd omdat de modus operandi onvoldoende overeenkwam met eerdere zaken.
De verdachte ontkende de beschuldigingen. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om de tenlastegelegde feiten te bewijzen en sprak de verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering vanwege de vrijspraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs; vervolging niet-ontvankelijk voor feiten vóór 18 maart 2009 wegens verjaring.