Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de nadere bijlagen van [eiser].
- [eiser] met zijn partner;
- [naam 1] (eigenaar) en twee collega’s namens BC010 met mr. Heespelink.
Rechtbank Rotterdam
De eiser, een boksleraar, had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar bij BC010 B.V. Deze overeenkomst liep af op 1 december 2024. BC010 bevestigde tijdig op 19 augustus 2024 dat de overeenkomst niet zou worden verlengd en stelde de eiser vanaf die datum vrij van werkzaamheden met behoud van loon.
De eiser vorderde in kort geding onder meer dat hij zijn werkzaamheden weer mocht hervatten, dat BC010 een rectificatie zou plaatsen over zijn vertrek, dat er een verbod zou komen op negatieve uitlatingen, dat BC010 meewerkte aan conflictbemiddeling en dat hij schadevergoeding zou ontvangen. De kantonrechter oordeelde dat BC010 geen verplichting had tot verlenging van de arbeidsovereenkomst en dat een intentieverklaring geen garantie op verlenging biedt.
Verder was de eiser vanaf 19 augustus vrijgesteld van werk met behoud van loon en had hij onvoldoende belang bij werkhervatting gezien de korte resterende duur van de overeenkomst. De vorderingen tot rectificatie en verbod op uitlatingen werden afgewezen omdat de communicatie neutraal en feitelijk juist was. De schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan spoedeisend belang.
De kantonrechter wees alle vorderingen af en veroordeelde de eiser in de proceskosten van BC010 ter hoogte van €949. Het vonnis werd op 11 november 2024 gewezen door mr. W.P.M. Jurgens.
Uitkomst: De kantonrechter wijst alle vorderingen van de eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.