ECLI:NL:RBROT:2024:11453

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
11318654 VV EXPL 24-461
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668 lid 1 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsrechtelijke procedure over niet-verlenging arbeidsovereenkomst en vorderingen ex-werknemer

De eiser, een boksleraar, had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar bij BC010 B.V. Deze overeenkomst liep af op 1 december 2024. BC010 bevestigde tijdig op 19 augustus 2024 dat de overeenkomst niet zou worden verlengd en stelde de eiser vanaf die datum vrij van werkzaamheden met behoud van loon.

De eiser vorderde in kort geding onder meer dat hij zijn werkzaamheden weer mocht hervatten, dat BC010 een rectificatie zou plaatsen over zijn vertrek, dat er een verbod zou komen op negatieve uitlatingen, dat BC010 meewerkte aan conflictbemiddeling en dat hij schadevergoeding zou ontvangen. De kantonrechter oordeelde dat BC010 geen verplichting had tot verlenging van de arbeidsovereenkomst en dat een intentieverklaring geen garantie op verlenging biedt.

Verder was de eiser vanaf 19 augustus vrijgesteld van werk met behoud van loon en had hij onvoldoende belang bij werkhervatting gezien de korte resterende duur van de overeenkomst. De vorderingen tot rectificatie en verbod op uitlatingen werden afgewezen omdat de communicatie neutraal en feitelijk juist was. De schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan spoedeisend belang.

De kantonrechter wees alle vorderingen af en veroordeelde de eiser in de proceskosten van BC010 ter hoogte van €949. Het vonnis werd op 11 november 2024 gewezen door mr. W.P.M. Jurgens.

Uitkomst: De kantonrechter wijst alle vorderingen van de eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11318654 VV EXPL 24-461
datum uitspraak: 11 november 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [plaatsnaam],
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
BC010 B.V., die handelt onder de naam Boxing Company,
vestigingsplaats: Capelle aan den IJssel,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.W. Heespelink.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de nadere bijlagen van [eiser].
1.2.
Op 28 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [eiser] met zijn partner;
  • [naam 1] (eigenaar) en twee collega’s namens BC010 met mr. Heespelink.

2.De beoordeling

Samenvatting en conclusie
2.1.
[eiser] heeft een arbeidsovereenkomst met BC010 voor bepaalde tijd van een jaar met einddatum 1 december 2024. BC010 heeft [eiser] op 19 augustus bericht dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en dat hij per die datum niet meer in de gelegenheid wordt gesteld zijn werkzaamheden uit te voeren, omdat partijen naar het oordeel van BC010 niet bij elkaar passen. [eiser] vordert dat hij zijn werkzaamheden weer kan uitvoeren, rectificatie/verbod van mededelingen, schadevergoeding in verband met emotionele schade en doorbetaling van salaris. Ook vordert hij dat BC010 wordt gedwongen om mee te werken aan conflictbemiddeling. De kantonrechter wijst de vorderingen af. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.
Beoordelingskader kort geding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor BC010 als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 december 2024
2.3.
BC010 heeft [eiser] op 19 augustus 2024 per e-mail bevestigd hetgeen die dag mondeling zou zijn besproken, dat zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet voortzet. Deze aanzegging is ruim op tijd gedaan, namelijk meer dan een maand voor de einddatum van de overeenkomst (artikel 7:668 lid 1 BW Pro). Anders dan [eiser] op de zitting suggereert, hoefde BC010 hem geen verbetertraject aan te bieden omdat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die na een jaar van rechtswege eindigt. Dat BC010 eerder een intentieverklaring heeft afgegeven waarin een langere samenwerking wordt beoogd, maakt dat niet anders. Een intentieverklaring is namelijk geen garantie op het verlengen van de arbeidsovereenkomst. Bovendien heeft BC010 deze intentieverklaring afgegeven op specifiek verzoek van [eiser] in verband met zijn aanvraag voor een hypotheek.
BC010 hoeft [eiser] niet meer te laten werken/geen conflictbemiddeling
2.4.
[eiser] is vanaf 19 augustus 2024 vrijgesteld van zijn werkzaamheden met behoud van loon. Door BC010 is aan de leden gecommuniceerd dat de samenwerking met [eiser] is beëindigd. Na de datum van deze uitspraak resteren nog maar enkele weken voordat de arbeidsovereenkomst eindigt. Tegen deze achtergrond ziet de kantonrechter onvoldoende belang van [eiser] bij zijn vordering om nog te werk gesteld te worden. Dat [eiser] geen afscheidsworkout heeft kunnen geven, maakt dat niet anders. BC010 heeft ter zitting nota bene aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft als [eiser] voor de einddatum van 1 december 2024 al elders aan het werk gaat, hetgeen hem naar hij zelf stelt is aangeboden. Ook bij zijn vordering met betrekking tot conflictbemiddeling heeft [eiser] onvoldoende belang. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2024 kunnen partijen ieder hun eigen weg gaan. Deze vorderingen worden daarom afgewezen.
De kantonrechter veroordeelt BC010 niet om het loon door te betalen; dat doet BC010 al
2.5.
[eiser] verklaart dat BC010 zijn loon tot nu toe volledig en op tijd doorbetaalt, zoals BC010 ook had toegezegd. BC010 heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij het loon van [eiser] tot 1 december zal blijven betalen. [eiser] heeft dan ook geen belang bij dit deel van zijn eis, zodat dit wordt afgewezen.
BC010 hoeft geen rectificatie te plaatsen/geen verbod tot uitlaten over vertrek
2.6.
Tijdens de zitting heeft [eiser] verduidelijkt dat hij een rectificatie wil van het bericht waarmee BC010 de leden heeft geïnformeerd over zijn vertrek, omdat dit zou suggereren dat hij zelf wil vertrekken. Het bericht luidt als volgt: ‘Tot slot delen wij jullie mede dat de samenwerking tussen Boxing Company en [eiser] is beëindigd. Wij wensen hem veel succes met zijn verdere carrière. Heb je een training bij [eiser] gepland staan? Neem dan eventjes contact op met [naam 2] via (…)’
Naar het oordeel van de kantonrechter is de toon van dit bericht neutraal en de inhoud klopt met de feiten; de samenwerking is beëindigd. Waarom of door wie laat het bericht in het midden. De vordering tot rectificatie wordt daarom afgewezen.
2.7.
BC010 moet als werkgever haar leden en collega’s kunnen informeren over het vertrek van [eiser], zodat de vordering tot verbod daarvan wordt afgewezen. Overigens is uit de stukken en stellingen over en weer niet gebleken dat BC010 zich negatief heeft uitgelaten over het vertrek van [eiser].
De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen
2.8.
Mede gelet op het voorlopige karakter daarvan leent deze kort geding procedure zich niet voor de beoordeling van een vordering tot schadevergoeding. [eiser] ontvangt bovendien maandelijks zijn salaris, zodat het spoedeisend belang bij een voorschot op schade (hetgeen overigens niet zo is gevorderd) ook niet zonder meer duidelijk is. Afgezien daarvan heeft [eiser] de schade die hij stelt te hebben geleden onvoldoende onderbouwd.
Alle eisen van [eiser] worden afgewezen
2.9.
Omdat de eisen van [eiser] zoals hiervoor besproken worden afgewezen, kunnen er geen dwangsommen worden opgelegd en kan er ook geen plaatsvervangende toestemming worden gegeven.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan BC010 moet betalen op € 814,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 949,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van BC010 worden begroot op € 949,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
703