De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak tegen verdachte die werd verdacht van witwassen van contante geldbedragen, girale overboekingen, een erfpachtrecht en cryptovaluta. De verdediging stelde meerdere onherstelbare vormverzuimen en schendingen van het recht op een eerlijk proces, waaronder schending van de onschuldpresumptie en het nemo tenetur-beginsel, maar deze verweren werden door de rechtbank verworpen.
Het onderzoek toonde vermoedens van witwassen, waaronder grote contante bedragen, buitenlandse overboekingen en cryptovaluta. De verdachte gaf echter een concrete, niet onwaarschijnlijke verklaring over de legale herkomst van de gelden, die door nader onderzoek niet werd weerlegd. Hierdoor was het vermoeden van witwassen voldoende ontkracht.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van bijna anderhalf jaar, maar dit leidde niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Wel werd de officier van justitie ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van het in beslag genomen bedrag van €81.600,- werd teruggave aan de verdachte gelast.
De rechtbank concludeerde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak de verdachte vrij. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer op 18 november 2024.