De rechtbank Rotterdam heeft op 22 november 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiseres en eiser beroep instelden tegen de invordering van een verbeurde dwangsom van €10.000,- door het Bureau Toezicht Wwft (BTWwft).
De rechtbank verklaarde het beroep van eiser niet-ontvankelijk omdat het besluit niet aan hem was gericht en hij geen zelfstandig belang had als bestuurder en enig aandeelhouder van eiseres. Het beroep van eiseres werd inhoudelijk beoordeeld en als ongegrond verworpen. Eiseres erkende niet aan de last onder dwangsom te hebben voldaan, waardoor BTWwft gerechtigd was tot invordering over te gaan.
De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die een gedeeltelijke of volledige invordering konden verhinderen. Argumenten over de proportionaliteit en subsidiariteit van de dwangsom waren niet ontvankelijk in deze invorderingsprocedure. Ook het betoog over onvoldoende inzicht in financiële draagkracht faalde, omdat eiseres geen bewijs leverde van ontoereikendheid.
De rechtbank concludeerde dat BTWwft de dwangsom terecht mocht invorderen en dat de eisende partijen geen recht hadden op vergoeding van griffierecht of proceskosten.