Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1], en
1.[gedaagde 1], en
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 november 2024, met bijlagen;
- de eis in reconventie, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vorderen eisers schorsing van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis dat hen veroordeelde tot ontruiming van een gehuurde woning en betaling van huurachterstanden. Dit verstekvonnis is uitgevaardigd na het niet verschijnen van eisers bij een eerdere zitting.
Eisers stellen dat de huurachterstand deels onterecht is vastgesteld omdat zij betalingen hebben gedaan die niet in de eerdere procedure konden worden betrokken. Gedaagden voeren aan dat er sprake is van herhaalde wanprestatie en dat de huurbetalingen structureel te laat zijn gedaan, waardoor meerdere procedures noodzakelijk waren.
De kantonrechter past de criteria uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 toe en oordeelt dat het belang van gedaagden bij uitvoering van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van eisers bij schorsing. De kantonrechter acht de verstekvonnisuitspraak niet kennelijk misslag en wijst de vordering tot schorsing af. Proceskosten worden toegewezen aan de wederpartij in beide procedures.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis wordt afgewezen en het vonnis blijft uitvoerbaar bij voorraad.