Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 juni 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met een eis in reconventie (een tegeneis) en een bijlage;
- de e-mails met bijlagen van [persoon A] van 4 en 9 november 2024.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de vader, die huurder was van een woning in Rotterdam. De zoon, die sinds 2015 volledig bij zijn vader woonde, vordert dat hij als huurder wordt erkend en de huurovereenkomst voortzet. Havensteder, de verhuurder, vordert ontruiming van de woning.
De kantonrechter toetst de vordering aan artikel 7:268 lid 2 BW Pro, waarbij de zoon moet aantonen dat hij zijn hoofdverblijf in de woning heeft en met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. De zoon toont aan dat hij de huur heeft betaald en voldoende inkomen heeft om de huur te voldoen. Het hoofdverblijf staat niet ter discussie.
De duurzame gemeenschappelijke huishouding wordt vastgesteld op basis van de langdurige samenwoning sinds 2015, de subjectieve bedoeling om samen te blijven wonen, het ontstaan van mantelzorgrelatie en het verweven sociale en familiale leven in de woning. De kantonrechter wijst de vordering van Havensteder tot ontruiming af en veroordeelt haar in de proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voortgezet door de zoon en de vordering tot ontruiming wordt afgewezen.