Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:11815

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
27 november 2024
Zaaknummer
C/10/687063 / JE RK 24-2163
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en een machtiging tot uithuisplaatsing voor minderjarige 1 vanwege ernstige bedreiging in haar ontwikkeling en een onhoudbare thuissituatie. Minderjarige 1 verblijft reeds bij een instelling, maar is sinds kort onvindbaar. Minderjarige 2 woont bij de moeder en vertoont geen ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Tijdens de zitting ondersteunde de gecertificeerde instelling het verzoek voor minderjarige 1, maar niet voor minderjarige 2. De moeder stemde in met de maatregelen voor minderjarige 1, maar verzette zich tegen ondertoezichtstelling van minderjarige 2. De kinderrechter concludeerde dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarige 1 zijn vervuld en verleende deze voor respectievelijk één jaar en zes maanden.

Voor minderjarige 2 werd het verzoek afgewezen omdat geen ernstige bedreiging werd vastgesteld, de moeder beschikbaar en betrokken is, en er voldoende rust in de thuissituatie is ontstaan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.

Uitkomst: Minderjarige 1 wordt onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst; verzoek voor minderjarige 2 wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687063 / JE RK 24-2163
Datum uitspraak: 6 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam 1],
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaatsnaam 1] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 oktober 2024, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • een verweerschrift van de moeder van 31 oktober 2024, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 2] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna GI), te weten [naam 3] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft op een open groep van [naam instelling] in [plaatsnaam 2] .
2.3.
[minderjarige 2] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar en van [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting heeft de Raad het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad maakt zich zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] verblijft bij [naam instelling] in [plaatsnaam 2] omdat de thuissituatie onhoudbaar was. De spanningen tussen [minderjarige 1] en de moeder waren groot. Het is dan ook belangrijk dat [minderjarige 1] de komende tijd bij [naam instelling] kan blijven. De Raad ziet een betrokken moeder die zelf goed nadenkt over de situatie, zoals ook blijkt uit haar reactie op het raadsrapport. De moeder staat echter machteloos ten aanzien van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] vertoont gedragsproblemen. Nu [minderjarige 1] verblijft bij [naam instelling] , is er thuis wel meer rust. Omdat [minderjarige 2] echter deel uitmaakt van hetzelfde gezinssysteem, acht de Raad het van belang dat ook zij onder toezicht wordt gesteld en kan profteren van de in te zetten hulpverlening.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad deels ondersteund en het volgende medegedeeld. De GI onderschrijft de noodzaak van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] . Ten aanzien van [minderjarige 2] is de GI van mening dat een ondertoezichtstelling niet nodig is. Als er hulpverlening dient te worden ingezet voor [minderjarige 2] , dan zal de moeder hier naar verwachting voor open staan en daar naar handelen.
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting in aanvulling op het verweerschrift het volgende aangevoerd. De moeder verzet zich tegen een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] . De moeder stemt in met een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . De moeder maakt zich veel zorgen over [minderjarige 1] . Op [geboortedatum 2] jl. is [minderjarige 1] weggelopen van de groep en tot op heden is zij niet teruggekeerd of bekend waar zij is. De moeder heeft contact gehad met [minderjarige 1] via Snapchat, maar zij heeft de laatste paar dagen niet meer gereageerd. Nu [minderjarige 1] niet meer bij de moeder woont, ervaart de moeder thuis meer rust en kan zij meer tijd nemen voor [minderjarige 2] . Het gaat goed met [minderjarige 2] . Het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna CJG) heeft aangegeven dat [minderjarige 2] zich goed ontwikkelt en het contact tussen de moeder en het CJG verloopt prettig. De moeder staat open voor de hulpverlening en als [minderjarige 2] extra hulp nodig heeft, dan zal de moeder hulp zoeken. Het wijkteam is betrokken als casusregisseur en de moeder heeft hier goed contact mee. Er zijn ook vanuit het wijkteam geen zorgen gemeld over [minderjarige 2] .
5.
De beoordeling
Ten aanzien van [minderjarige 1] :
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De afgelopen periode zijn de zorgen over haar fors toegenomen. Er waren veel spanningen en escalaties in de thuissituatie en de relatie tussen [minderjarige 1] en de moeder is ernstig verstoord geraakt. [minderjarige 1] verblijft daarom niet meer thuis, maar bij [naam instelling] in [plaatsnaam 2] . Volgens de moeder is [minderjarige 1] sinds [geboortedatum 2] jl. echter niet meer op de groep is geweest en is voor haar onbekend waar zij nu is.
Hoewel wordt gezien dat de moeder bereid is om de hulpverlening te accepteren, lukt het haar niet om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] zelfstandig weg te nemen. Hulpverlening in het gedwongen kader is daarom noodzakelijk. Het is belangrijk dat in dat kader ook snel duidelijk wordt waar [minderjarige 1] verblijft en wat ervoor nodig is om te zorgen dat het beter met haar gaat en zij zich adequaat kan gaan ontwikkelen.
5.3.
De kinderrechter zal, zoals onweersproken, [minderjarige 1] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar, te weten tot 6 november 2025. Daarnaast zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden, te weten tot 6 mei 2025.
Ten aanzien van [minderjarige 2] :
5.4.
Ten aanzien van het verzoek van [minderjarige 2] oordeelt de kinderrechter als volgt. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] . Er zijn zorgen over hetgeen [minderjarige 2] heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder en [minderjarige 1] . Sinds [minderjarige 1] niet meer bij de moeder verblijft, is er echter meer ruimte en rust ontstaan in de thuissituatie. Gezien wordt dat de moeder zowel fysiek als emotioneel beschikbaar is en zelfstandig in staat is om hulp te vragen wanneer [minderjarige 2] dit nodig heeft. De moeder staat ook goed in contact met de betrokken hulpverlening. De kinderrechter zal het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 6 november 2024 tot 6 november 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 november 2024 tot 6 mei 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2024 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 19 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.