Eiser vroeg op 2 maart 2022 een omgevingsvergunning aan voor het legaliseren van een kunstwerk in de vorm van een walvishaai, bestaande uit 40.000 roestvrijstalen vishaken, geplaatst op een locatie aan de Bergse Achterplas te Rotterdam. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, wees de aanvraag af omdat het bouwwerk in strijd was met artikel 25, vierde lid van het bestemmingsplan “Kern en Plassen” en vanwege een negatief advies van de Welstandscommissie.
Na een bezwaarprocedure handhaafde verweerder het besluit. De rechtbank beoordeelde het beroep op 10 oktober 2024 en stelde vast dat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend, zodat de oude Wabo-regelgeving van toepassing bleef. De rechtbank onderzocht of verweerder in redelijkheid de vergunning kon weigeren op grond van strijd met het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand.
De Welstandscommissie stelde dat het bouwwerk zichtlijnen over de Bergse Achterplas verstoorde en het natuurlijke groene beeld aantastte. De rechtbank volgde dit oordeel en oordeelde dat verweerder het welstandsadvies terecht had overgenomen. Ook vond de rechtbank dat verweerder terecht geen afwijking van het bestemmingsplan had toegestaan, omdat het bouwwerk ruimtelijk niet aanvaardbaar was en het groene, publieke karakter van de plas en zichtlijnen beschermd moesten worden.
Eiser trok zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de weigering van de vergunning en wees het griffierecht en proceskosten af.