Verzoeker, wonende in een huurwoning en onder budgetbeheer, verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet die de ontruiming van zijn woning zou schorsen. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 7 juni 2024, met uitvoering gepland op 5 november 2024.
Verweerster stelde dat verzoeker niet te goeder trouw was en onvoldoende had gedaan om zijn schulden te regelen, ondanks een schadevergoeding van €45.000,-. Verzoeker had echter de huur van september en oktober 2024, zij het te laat, betaald en de huur van november 2024 tijdig voldaan. Daarnaast staat verzoeker onder budgetbeheer, wat de tijdige betaling van de huur waarborgt.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker om in zijn woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder woog dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom werd de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. De schuldhulpverlener rapporteert uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening over de voortgang.