De rechtbank Rotterdam heeft op 5 december 2024 een beschikking gegeven in een geschil tussen ouders over de zorgregeling en kinderbijdrage voor hun minderjarige dochter geboren in 2020.
De vrouw had de co-ouderschapsregeling eenzijdig stopgezet, waardoor het contact tussen de man en de minderjarige volledig was verbroken. De rechtbank oordeelde dat dit niet in het belang van het kind was en gelastte de hervatting van de regeling per 10 december 2024, zonder opbouwregeling, met verblijf om de week bij de man van dinsdag tot dinsdag en een verdeling van vakanties in onderling overleg.
Met betrekking tot de kinderbijdrage stelde de rechtbank vast dat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van het kind, waardoor een nauwkeurige behoeftebepaling achterwege bleef. De man moet €116 per maand betalen vanaf 22 november 2023, met een indexering per 1 januari 2024 naar €123. De rechtbank wees het verzoek tot vervangende toestemming voor een reisdocument af, omdat de vrouw dit had ingetrokken.
De communicatie tussen partijen werd als strijdig en wantrouwend beoordeeld, wat nadelig is voor het kind, dat een taalontwikkelingsachterstand heeft en behoefte heeft aan structuur en duidelijkheid. De rechtbank gaf partijen het advies om hun communicatie te verbeteren, onder meer door het gebruik van een schriftje om ervaringen van het kind vast te leggen.
Tot slot bepaalde de rechtbank dat elk van de partijen de eigen proceskosten draagt.