De zaak betreft een geschil tussen Stichting Woonstad Rotterdam en een huurder die sinds 1997 een woning huurt. Na een explosie in het portiek op 3 januari 2024, waarbij vermoedelijk de zoon van de huurder betrokken was, besloot de burgemeester de woning te sluiten. Tijdens de sluiting werden 80 hervulbare lachgascilinders aangetroffen in de schuur. Woonstad ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde ontruiming en schadevergoeding.
De huurder betwistte de rechtsgeldigheid van de ontbinding en stelde dat de tekortkoming niet ernstig genoeg was voor ontbinding. De rechtbank oordeelde dat hoewel Woonstad bevoegd was tot ontbinding, het gebruik van deze bevoegdheid onaanvaardbaar was gelet op de omstandigheden. De betrokkenheid van de huurder bij de explosie was niet vastgesteld, de lachgascilinders waren leeg en het gevaar was niet bewezen.
De belangen van de huurder, die al meer dan 26 jaar in de woning woont, goed huurder is en bij ontbinding dakloos zou worden, wegen zwaarder dan het belang van Woonstad. De tekortkoming was onvoldoende ernstig voor ontbinding. Ook werd schadevergoeding afgewezen omdat onvoldoende verband met tekortkoming was aangetoond. Woonstad werd veroordeeld in de proceskosten.