ECLI:NL:RBROT:2024:12165

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 november 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
C/10/682958 / HA RK 24-669
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bij motorongeluk met passagier en bewijsopdracht voor getuigenverhoor

In deze deelgeschilprocedure verzoekt verzoekster, die als passagier op de motor van verweerder zat, om te verklaren dat verweerder en zijn WAM-verzekeraar Allianz hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die zij heeft geleden na een ernstig ongeval op 31 december 2021. Tijdens de rit viel verzoekster van de motor en liep zij ernstig letsel op. De toedracht van het ongeval is onduidelijk, en de rechtbank heeft verzoekster de gelegenheid gegeven om bewijs te leveren door verweerder als getuige te horen. De rechtbank overweegt dat de aansprakelijkheidsvraag centraal staat en dat het horen van getuigen kan bijdragen aan de totstandkoming van een regeling tussen partijen. De rechtbank wijst erop dat verzoekster de bewijslast heeft om aan te tonen dat het ongeval is veroorzaakt door onzorgvuldig handelen van verweerder. De rechtbank heeft de zaak op 28 november 2024 behandeld en een getuigenverhoor gepland op 13 januari 2025, waarbij mr. J.E. Molenaar de zitting zal leiden. De verdere beslissing is aangehouden.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/682958 / HA RK 24-669
Beschikking van 28 november 2024
in de zaak van
[verzoekster],
wonend te Rotterdam,
verzoekster,
advocaat mr. K.J. Nijman-Weninger te Alphen aan den Rijn,
tegen

1.[verweerder] ,

wonend te Barendrecht,
2. de naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verweerders,
advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht.
Partijen worden hierna [verzoekster] , [verweerder] en Allianz genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Kort voor middernacht op 31 december 2021 is [verzoekster] een ernstig ongeval overkomen. Zij zat als passagier achterop de motor van [verweerder] toen deze daarmee in de richting van de Erasmusbrug in Rotterdam reed. [verzoekster] is tijdens de rit van de motor gevallen en zij heeft als gevolg daarvan ernstig en blijvend letsel opgelopen. In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoekster] (o.a.) om voor recht te verklaren dat [verweerder] en Allianz, als WAM-verzekeraar, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het ongeval en de door haar als gevolg daarvan geleden schade. Over de toedracht van het ongeval bestaan nog een aantal onduidelijkheden. In deze tussenbeschikking wordt aan [verzoekster] een bewijsopdracht gegeven, zodat (m.n.) [verweerder] daarover als getuige kan worden gehoord.

2.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen 1 t/m 12,
  • het verweerschrift tevens voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek van [verweerder] en Allianz, met bijlagen 1 t/m 6,
  • de door [verzoekster] toegezonden aanvullende bijlagen 13 t/m 15,
  • de mondelinge behandeling van 31 oktober 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
  • de spreekaantekeningen van mr. Nijman-Weninger,
  • de spreekaantekeningen van mr. Haase.

3.Het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek

3.1.
[verzoekster] verzoekt, bij wijze van een deelgeschil volgens artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):
I. een verklaring voor recht dat [verweerder] en Allianz hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoekster] lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 31 december 2022,
II. de kosten ex artikel 1019aa Rv uitvoerbaar bij voorraad te begroten volgens de opgave die [verzoekster] gemaakt heeft.
3.2.
[verweerder] en Allianz hebben tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] geconcludeerd, althans verzocht de kosten van het deelgeschil fors te matigen. In het geval dat wordt geoordeeld dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade, verzoeken zij te verklaren voor recht dat [verzoekster] zelf voor 50% aansprakelijk is voor haar schade.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.
Het verzoek van [verzoekster] berust op artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dat voorziet in de mogelijkheid van het voeren van een deelgeschilprocedure. Doel van de deelgeschilprocedure is, kort gezegd, de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechtbank het verzoek afwijst als de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een regeling tussen partijen, een zogenoemde vaststellingsovereenkomst. De rechtbank zal dus eerst moeten beoordelen of dat laatste het geval is. Bij de beoordeling van de vraag of een beslissing kan worden genomen die aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan bijdragen, moeten de eventuele kosten en het tijdsverloop om tot zo’n beslissing te kunnen komen, worden meegewogen.
4.2.
Van de zijde van [verweerder] en Allianz is aangevoerd dat deze zaak zich op dit moment niet leent voor een deelgeschilprocedure, omdat nadere bewijslevering nodig is.
4.3.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. De enkele omstandigheid dat de toedracht van het ongeval (nog) niet vaststaat, is niet voldoende om te concluderen dat de zaak zich niet leent voor een deelgeschilprocedure. Bewijslevering in een deelgeschilprocedure is, gelet op het feit dat dit tot meer kosten leidt en in de regel veel tijd in beslag kan nemen, uitzondering, maar kan soms toch aangewezen zijn. Die laatste situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier voor. In dit geval is de aansprakelijkheidsvraag het centrale geschilpunt tussen partijen. Een oordeel hierover kan helpen bij het op gang brengen van de (verdere) onderhandelingen tussen partijen en dus bijdragen aan de totstandkoming van een eventuele vaststellingsovereenkomst. Verder is van belang dat een beslissing zal kunnen worden genomen over de aansprakelijkheidsvraag, afhankelijk van de uitkomsten van het verhoor van een cruciale getuige in deze zaak, te weten [verweerder] , van wie op dit moment slechts door anderen op schrift gestelde (niet onder ede afgelegde) verklaringen in het geding zijn gebracht. Het horen van [verweerder] als getuige kan in deze procedure met relatief beperkte inspanningen en kosten worden uitgevoerd. Andere personen die het ongeval mogelijk hebben zien gebeuren, zijn niet door de politie als getuigen genoteerd en hebben zich ook niet gemeld. [verzoekster] zelf heeft naar zij heeft verklaard geen actieve herinnering aan wat er in de periode kort voor, tijdens en na het ongeval is gebeurd, aangezien zij door haar val van de motor buiten bewustzijn is geraakt. Bewijslevering zal daarom vermoedelijk tot het horen van [verweerder] als getuige beperkt blijven, maar het is mogelijk dat ook [verzoekster] als getuige een verklaring wil afleggen. Het openen van een getuigenverhoor zal, gelet op het beperkte aantal getuigen, naar verwachting de procedure niet onredelijk vertragen of compliceren. Als ook [verzoekster] als getuige een verklaring zou willen afleggen, kan zij direct voorafgaand aan of onmiddellijk na het verhoor van [verweerder] als getuige kunnen worden gehoord. Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat het door [verweerder] en Allianz gevoerde formele verweer faalt en [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek.
[verzoekster] krijgt de gelegenheid om (nader) bewijs te leveren
4.4.
Zoals hiervoor al is aangestipt, staat de (precieze) toedracht van het ongeval niet vast. Vast staat dat [verzoekster] van de motor van [verweerder] is afgevallen en daardoor ernstig letsel heeft opgelopen, maar er is nog veel onduidelijk over wat er precies is gebeurd waardoor zij is gevallen.
4.5.
In beginsel rust op [verzoekster] de bewijslast dat het ongeval is veroorzaakt door onvoldoende zorgvuldig handelen van [verweerder] . [verzoekster] komt, als opzittende, geen beroep toe op artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 (WVW), dat een vorm van risicoaansprakelijkheid kent voor eigenaren en houders van een motorrijtuig bij een aanrijding met een niet-motorrijtuig. [verzoekster] werd namelijk vervoerd door een motorrijtuig, in dit geval de motor van [verweerder] . Zij is daarom uitgesloten van de bescherming die artikel 185 WVW aan (andere) kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voetgangers en fietsers biedt. [verzoekster] zal daarom moeten aantonen dat [verweerder] toerekenbaar onzorgvuldig is geweest. Het enkele feit dat [verzoekster] van de motor is gevallen is onvoldoende om die conclusie nu al te trekken. Het feit van de val van de motor en de overige door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden en argumenten acht de rechtbank op dit moment onvoldoende om voorshands aan te nemen dat [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld en om [verweerder] en Allianz dus tot tegenbewijs daarvan toe te laten. Daartoe behoort ook de door [verzoekster] aangevoerde (maar door Allianz in haar verweerschrift betwiste) omstandigheid dat de motor van [verweerder] een zogenoemde ‘verlengde’ motor was, waarvoor hij hoewel daartoe verplicht was, geen nieuwe keuring door de RDW heeft laten uitvoeren. Dit op zich acht de rechtbank niet voldoende voor het vermoeden dat [verweerder] onverantwoorde risico’s heeft genomen of onzorgvuldig heeft gereden. Die enkele omstandigheid is overigens ook onvoldoende om, los van de toedracht van het ongeval, tot aansprakelijkheid van [verweerder] voor het ongeval te concluderen. Er zijn namelijk op dit moment geen redenen om aan te nemen dat het niet beschikken over de vereiste goedkeuring van de RDW (voor deze wijziging aan de constructie van de motor) tot het ontstaan van het ongeval heeft geleid. [verzoekster] heeft, met andere woorden, op dit moment niet aannemelijk gemaakt dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als de RDW de motor zou hebben goedgekeurd, waarbij wordt aangetekend dat [verzoekster] niet heeft aangevoerd dat die goedkeuring niet zou hebben plaatsgevonden of zou hebben kunnen plaatsvinden.
4.6.
In het kader van een onderbouwing van het verweer stelt de rechtbank [verweerder] en Allianz overigens nog wel in de gelegenheid om nadere informatie over de keuring van de motor van [verweerder] , althans de wijze waarop dat inmiddels zal zijn gedaan en aan welke eisen daarbij is getoetst, in het geding te brengen.
4.7.
Het voorgaande betekent dat [verzoekster] in de gelegenheid wordt gesteld [verweerder] als getuige te horen over de toedracht van het ongeval, in het kader van een aan haar te geven bewijsopdracht.
4.8.
Na het te houden getuigenverhoor zal de rechtbank beoordelen of de vraag of [verweerder] voor het ongeval aansprakelijk kan worden gehouden (in dit deelgeschil) bevestigend kan worden beantwoord, en zo ja, of [verzoekster] niet mogelijk zelf risico’s heeft genomen door op de motor van [verweerder] , gegeven alle bijzondere omstandigheden van het geval, mee te rijden.
4.9.
Op de mondelinge behandeling is met partijen over een getuigenverhoor van met name [verweerder] maar mogelijk ook [verzoekster] gesproken. Op verzoek van [verweerder] en Allianz heeft de rechtbank ter zitting bepaald dat in een tussenbeschikking hiervoor een bewijsopdracht zou worden gegeven. Bij deze wordt die tussenbeschikking gegeven.
4.10.
In overleg met partijen is reeds een datum bepaald waarop de getuige(n) ( [verweerder] maar mogelijk ook [verzoekster] ) zullen worden gehoord. Die datum en tijdstip worden daarom in het dictum van deze tussenbeschikking opgenomen. De rechtbank gaat ervan uit dat zowel [verzoekster] als [verweerder] zullen verschijnen en dat geen oproepingsbrieven aan hen nodig zijn. Van de zijde van [verweerder] en Allianz is ter zitting te kennen gegeven dat zij willen onderzoeken of er meer getuigen van het ongeval zijn die gehoord kunnen worden in de vorm van een contra-enquête. Het houden van een tegenverhoor staat van rechtswege open, dus de rechtbank staat dat toe. De rechtbank neemt zich voor na het getuigenverhoor verdere procedurele afspraken met partijen te maken (zo nodig ook hierover).
4.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
stelt [verzoekster] in de gelegenheid om door middel van het horen van getuigen (nader) bewijs te leveren van feiten en omstandigheden met betrekking tot de feitelijke toedracht van het haar overkomen ongeval op 31 december 2021,
5.2.
bepaalt dat het getuigenverhoor hiervoor zal worden gehouden op
maandag 13 januari 2025, vanaf 9:00 uur, in het gerechtsgebouw aan het
Wilhelminaplein 100, gebouw B (het rode gebouw) te Rotterdam ten overstaan van mr. J.E. Molenaar;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024.
3727/3152