In deze zaak vorderde Stichting Havensteder betaling van een huurachterstand van huurder [persoon A]. Tijdens de procedure trok Havensteder deze vordering in nadat bleek dat een betaling niet was verwerkt en erkende zij een fout in de huurprijsverhoging.
De huurder stelde daartegenover dat hij geen huurachterstand had en vorderde schadevergoeding wegens vermeende pesterijen, betaling van een energierekening, en het staken van valse meldingen bij de gemeente. Deze vorderingen werden door de rechtbank afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een rechtsgrond.
Daarnaast stelde de huurder onderhoudsgebreken aan het gehuurde, maar had hij geen vordering tot herstel ingesteld. De rechtbank oordeelde dat hierover geen beslissing kon worden gegeven.
De proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk waren gesteld. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter W.J.J. Wetzels op 6 december 2024.