ECLI:NL:RBROT:2024:12265
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek eindezaaksverklaring na beleidssepot afgewezen wegens gebrek aan belang
Tegen verdachte was een opsporingsonderzoek ingesteld wegens verdenking van oplichting en valsheid in geschrifte. Op 22 oktober 2024 besloot het Openbaar Ministerie de strafzaak te seponeren middels een beleidssepot. Verdachte verzocht daarop op grond van artikel 29f Sv om een eindezaaksverklaring, stellende dat deze nodig is omdat belanghebbenden mogelijk via een artikel 12-procedure vervolging kunnen afdwingen, waardoor het verzoek anders illusoir zou zijn.
De officier van justitie stelde dat verdachte niet-ontvankelijk is omdat het sepot onvoorwaardelijk is en de zaak feitelijk is beëindigd. Hoewel belanghebbenden bezwaar maakten tegen het sepot, is de kans dat zij alsnog een artikel 12-procedure starten volgens het OM zeer gering. De rechtbank overwoog dat het belang van de verzoeker centraal staat en dat een eindezaaksverklaring slechts kan worden afgegeven indien de vervolging niet wordt voortgezet.
Gezien het onvoorwaardelijke sepot en de geringe kans op vervolging via belanghebbenden, oordeelde de rechtbank dat het theoretische risico onvoldoende zwaarwegend is om het verzoek inhoudelijk te behandelen. De rechtbank verklaarde verdachte daarom niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De beslissing werd op 20 november 2024 door rechter J.M.L. van Mulbregt uitgesproken.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek om een eindezaaksverklaring wegens gebrek aan belang.