ECLI:NL:RBROT:2024:12329
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak voor het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten wegens gebrek aan bewijs van opzet
De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 oktober 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid onveraccijnsde sigaretten. Het ten laste gelegde feit betrof circa 7.540.000 sigaretten die niet overeenkomstig de Wet op de accijns waren betrokken.
Tijdens de terechtzittingen op 1 en 3 oktober 2024 werd het dossier onderzocht. Zowel de officier van justitie als de verdediging verzochten tot vrijspraak. De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om het opzet van verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin, aan te tonen.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit niet bewezen en sprak verdachte vrij. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken, onder voorzitterschap van L. Daum, met de rechters P.C. Tuinenburg en I. Tillema.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzet op het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten.