ECLI:NL:RBROT:2024:12452

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
10 december 2024
Zaaknummer
FT RK 24/1563 – FT RK 24/1564
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoekster, een studente met een huurachterstand, vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet om ontruiming van haar huurwoning te voorkomen. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie omdat een vonnis tot ontruiming was uitgesproken en de ontruiming was aangekondigd.

De huur van december 2024 was tijdig voldaan en er zou budgetbeheer worden opgestart, wat voldoende zekerheid bood dat de lopende huurtermijnen betaald zouden worden. Verweerster stelde dat verzoekster voldoende tijd had gehad om tot een oplossing te komen, maar de rechtbank vond het belang van verzoekster zwaarder wegen.

De rechtbank wees het moratorium toe voor zes maanden, verlengde de huurovereenkomst en stelde voorwaarden aan tijdige betaling van huur. Tevens verklaarde de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Uitkomst: Moratorium van zes maanden toegewezen en ontruiming van huurwoning geschorst onder voorwaarde van tijdige betaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 3 december 2024
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 7 november 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 8 november 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 november 2024.
Ter zitting van 26 november 2024 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw N. Naipal, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlener);
  • mevrouw D. Kazanci, werkzaam bij het Wijkteam (hierna: begeleider);
  • de heer N. van de Hoeven en mevrouw P. Koolman, beiden werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De schuldhulpverlener heeft op 28 november 2024 aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster is student en volgt een opleiding (Fashion Design), die (ongeveer) nog twee en een half jaar zal duren. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij – naast haar opleiding – gaat werken voor de centrale studentenraad voor 14 uur per week. Daarnaast heeft verzoekster het voornemen om in de horeca te gaan werken. De kale huur bedraagt € 607,53 per maand. Uit de na de zitting overgelegde stukken volgt dat de huur van december 2024 op 27 november 2024 tijdig is betaald. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat er een schuldhulpverleningstraject zal worden opgestart. Daarnaast zal er ook budgetbeheer worden opgestart, waardoor ook voldoende wordt gewaarborgd dat de lopende termijnen tijdig zullen worden betaald.

3.Het verweer

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster voldoende tijd en ruimte heeft gehad om tot een oplossing van haar huurachterstand te komen met verweerster. Vanuit vroegsignalering heeft verweerster het verzoek gekregen om haar vordering aan te houden. Verweerster heeft hieraan meegewerkt. Hierna zijn alleen de huurtermijnen van september en oktober 2023 voldaan. In januari 2024 kreeg verweerster opnieuw het verzoek haar vordering aan te houden. Hieraan heeft verweerster opnieuw meegewerkt. Vervolgens werden de lopende huurtermijnen niet betaald en werd nergens meer op gereageerd door verzoekster. Verweerster heeft enkel de huurtermijn van juli 2024 ontvangen. Ter zitting heeft verweerster verklaart zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 29 oktober 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 12 november 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 april 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur van december 2024 is tijdig op
27 november 2024 betaald. Daarnaast zal er budgetbeheer worden opgestart, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Ook ontvangt verzoekster hulp vanuit het wijkteam. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 april 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
8 november 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024.