ECLI:NL:RBROT:2024:12659

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
11380919 VV EXPL 24-530
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 BWArt. 7:225 BWArt. 9.3 Algemene huurvoorwaarden WoonbronArt. 9.6 Algemene huurvoorwaarden WoonbronArt. 13b lid 1 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning na schietpartij en drugsvondst toegewezen

Woonbron vordert in kort geding dat de huurwoning van [persoon B], die onder bewind staat, wordt ontruimd vanwege een schietpartij en vondst van vermoedelijke drugsgerelateerde goederen in de woning. De burgemeester had de woning reeds voor drie maanden gesloten op grond van de Opiumwet wegens de verstoring van de openbare orde.

Tijdens de zitting verscheen alleen de bewindvoerder, die geen inhoudelijk verweer voerde. [persoon B] zelf was niet aanwezig. De kantonrechter acht de stellingen van Woonbron, waaronder de schietpartij, de vondst van een geldtelmachine, wit poeder en sealbags, en camerabeelden van personen met tassen, aannemelijk.

De kantonrechter oordeelt dat Woonbron bevoegd was de huurovereenkomst op te zeggen en wijst de ontruiming toe. Tevens wordt [persoon B] veroordeeld tot betaling van € 684,08 per maand huur vanaf 1 januari 2025 tot ontruiming, een contractuele boete van € 2.500,- wegens overtreding van de Opiumwet, en de proceskosten van € 920,99 met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurwoning wordt ontruimd en de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van huur, boete en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11380919 VV EXPL 24-530
datum uitspraak: 9 december 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E. Piepers-Westermeijer,
tegen
[persoon A], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de heer [persoon B] ,
woonplaats: [woonplaats A] , gemeente [gemeente A] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd. De onderbewindgestelde wordt aangeduid als ‘ [persoon B] ’.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 8 november 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 2 december 2024 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een zitting met de partijen besproken. [persoon B] zelf is niet verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak om?
2.1.
[persoon B] huurt een woning van Woonbron. Woonbron eist in deze procedure dat [persoon B] wordt veroordeeld om deze woning te ontruimen. Ook eist ze dat hij wordt veroordeeld om € 684,08 per maand te betalen tot de ontruiming, en een contractuele boete van € 2.500,-. Omdat [persoon B] onder bewind staat heeft Woonbron deze eisen ingesteld tegen zijn bewindvoerder, [persoon A] .
[persoon B] moet de woning ontruimen
2.2.
Woonbron baseert haar eis tot ontruiming op het volgende. Op 4 oktober 2024 kreeg de politie meldingen dat er een schietpartij was bij de woning. De politie heeft op straat meerdere kogelinslagen en hulzen aangetroffen. Getuigen hebben verklaard dat drie personen de woning ingegaan zijn en dat zij na een woordenwisseling vier tot acht schoten hebben gehoord. De politie heeft daarop de woning doorzocht. Deze was schaars ingericht. De politie heeft daar een geldtelmachine, wit poeder en sealbags gevonden. Verder heeft de politie op camerabeelden gezien dat voor het incident mannen met tassen uit de woning zijn gekomen.
2.3.
De burgemeester heeft vervolgens besloten de woning voor drie maanden te sluiten (artikel 13b lid 1 Opiumwet). Hij heeft overwogen dat de goederen wat hem betreft duidelijk bestemd zijn voor het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs. De woning was volgens hem, mede gezien de schietpartij, kennelijk een onderdeel van het criminele circuit. De sluiting vond hij noodzakelijk om de openbare orde te herstellen. Nadat de burgemeester de woning heeft gesloten, heeft Woonbron de huurovereenkomst in een brief opgezegd.
2.4.
Tijdens de zitting is [persoon A] verschenen. Zij heeft aangevoerd dat zij [persoon B] heeft gesproken, maar dat voor haar niet duidelijk is wat er is gebeurd en wat de rol van [persoon B] bij het incident is geweest. [persoon B] is zelf niet verschenen bij de zitting.
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat Woonbron de bevoegdheid had om de huurovereenkomst op te zeggen (artikel 7:231 BW Pro). Woonbron heeft gesteld dat het proportioneel is dat zij deze bevoegdheid heeft gebruikt, omdat [persoon B] in strijd met de Opiumwet heeft gehandeld en de veiligheid en leefbaarheid in gevaar heeft gebracht. Aangezien [persoon B] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd (hij is niet op zitting gekomen om uitleg te geven wat er in de woning is gebeurd en wat hij er wel of niet mee te maken heeft), gaat de kantonrechter uit van de juistheid van deze onderbouwde stellingen. Hij vindt het aannemelijk dat [persoon B] om die reden in een gewone procedure wordt veroordeeld om de woning te ontruimen. Hij loopt daarom op die beslissing vooruit door de ontruiming in deze procedure toe te wijzen.
2.6.
De kantonrechter zal de ontruiming gelasten. Als de ontruiming niet binnen de hierna vermeldde termijn kan plaatsvinden door de burgemeestersluiting, dan gaat de kantonrechter ervan uit dat dit direct aansluitend gebeurt.
[persoon B] moet € 684,08 per maand betalen tot de ontruiming
2.7.
Tot de ontruiming moet [persoon B] € 684,08 per maand betalen (op basis van de huurovereenkomst dan wel artikel 7:225 BW Pro). Woonbron heeft dit niet geëist vanaf een bepaalde datum. Aangezien zij heeft niet gesteld dat [persoon B] een huurachterstand heeft, zal de kantonrechter de eis toewijzen vanaf de eerste maand na de datum van dit vonnis, 1 januari 2025.
[persoon B] moet een boete van € 2.500 betalen
2.8.
Woonbron heeft onbetwist gesteld dat op de huurovereenkomst de ‘Algemene huurvoorwaarden Woonbron’ van toepassing zijn. In die voorwaarden staat dat de huurder een boete van € 2.500,- moet betalen als hij in de woning iets doet wat verboden is in de Opiumwet (artikel 9.3 en 9.6). Volgens Woonbron is daarvan sprake. Zij eist daarom dat [persoon B] wordt veroordeeld om dat bedrag te betalen. [persoon B] heeft die eis niet betwist. Deze wordt daarom toegewezen.
[persoon B] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [persoon B] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon B] aan Woonbron moet betalen op € 112,99 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 920,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf vijftien dagen na de datum van dit vonnis.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonbron dat eist en [persoon B] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan het hof in Den Haag vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
De veroordelingen worden uitgesproken tegen [persoon A]
2.11.
[persoon A] vertegenwoordigt [persoon B] (artikel 1:441 BW Pro). Daarom worden de veroordelingen tegen haar (in haar hoedanigheid van bewindvoerder) uitgesproken.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [persoon A] om binnen vijf dagen nadat dit vonnis is betekend de woning op het adres [adres] in Rotterdam met al de zijnen en het zijne te ontruimen en ontruimd te houden, alle sleutels af te geven aan Woonbron en de woning vrij en geheel ter beschikking van Woonbron te stellen;
3.2.
veroordeelt [persoon A] om aan Woonbron € 684,08 per maand te betalen vanaf 1 januari 2025 tot de dag van de ontruiming;
3.3.
veroordeelt [persoon A] om aan Woonbron € 2.500,- te betalen;
3.4.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van Woonbron worden begroot op € 920,99 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn en in het openbaar uitgesproken.
33394/58177