ECLI:NL:RBROT:2024:12682

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
11247197 CV EXPL 24-19316
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling premieachterstand zorgverzekering en vaststelling betalingsregeling

ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V. vordert betaling van een premieachterstand van €1.063,72, rente en buitengerechtelijke incassokosten van [gedaagde], verzekeringsnemer van een zorgverzekeringsovereenkomst. De verzekerde erkent de achterstand en heeft een betalingsregeling getroffen met ASR, waarvan een deel van de achterstand reeds is voldaan.

De kantonrechter stelt vast dat een bedrag van €267,36 resteert en wijst dit toe, evenals de gevorderde incassokosten van €193,07 en de rente. De betalingsregeling wordt op verzoek van partijen in het vonnis opgenomen, waarbij maandelijkse aflossingen van €462,00 worden vastgesteld. Bij niet-naleving moet het openstaande bedrag direct worden voldaan met wettelijke rente.

De proceskosten van €975,38 worden aan [gedaagde] opgelegd, omdat de procedure door ASR terecht is gestart vanwege de bestaande premieachterstand. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat ASR direct kan incasseren ook als hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van de resterende premieachterstand, rente en incassokosten, met een betalingsregeling opgenomen in het vonnis.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11247197 CV EXPL 24-19316
datum uitspraak: 29 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V.,die handelt onder de naam Ik kies zelf van a.s.r.,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats, maar met een bekend briefadres in [plaatsnaam],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ASR’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 juli 2024, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de repliek tevens houdende vermindering van eis, met bijlagen.
1.2.
Ondanks dat [gedaagde] hiertoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij niet meer gereageerd op de repliek van ASR.

2.De feiten

2.1.
Tussen ASR als zorgverzekeraar en [gedaagde] als verzekeringsnemer bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] maandelijks premie aan ASR verschuldigd. Dit bedrag moet telkens voor de eerste van de maand betaald worden.
2.2.
De gemachtigde van ASR heeft op 7 mei 2024 een brief aan [gedaagde] gestuurd, waarin zij hem in de gelegenheid heeft gesteld een bedrag van € 1.063,72 te voldoen binnen een termijn van veertien dagen vanaf de dag nadat de brief bij [gedaagde] is bezorgd, bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op een bedrag van € 193,07 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.Het geschil

3.1.
ASR eist samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.355,12 met rente;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 1.063,72, rente van € 98,33 (berekend tot 16 juli 2024) en buitengerechtelijke kosten van € 193,07.
3.2.
ASR baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft de premies voor de maanden mei 2022, juni 2022 en augustus 2022 tot en met januari 2023 niet volledig betaald. Hierdoor is een premieachterstand van € 1.063,72 ontstaan.
3.3.
[gedaagde] erkent de gevorderde premieachterstand. Hij heeft inmiddels een betalingsregeling met ASR afgesproken en heeft al een deel van de achterstand afbetaald.

4.De beoordeling

Hoofdsom
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat er ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een premieachterstand van € 1.063,72 bestond. ASR heeft bij repliek toegelicht dat [gedaagde] in de onderhavige procedure, in het kader van een betalingsregeling, inmiddels € 796,36 van de gevorderde premieachterstand aan ASR heeft betaald. ASR heeft daarom haar vordering met dit bedrag verminderd. Het resterende bedrag van € 267,36 wordt toegewezen.
Incassokosten
4.2.
De incassokosten van € 193,07 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Rente
4.3.
De rente wordt toegewezen zoals bij de beslissing vermeld, omdat ASR genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Betalingsregeling
4.4.
ASR en [gedaagde] hebben een betalingsregeling afgesproken. ASR heeft bij repliek de kantonrechter verzocht deze betalingsregeling in het vonnis op te nemen. [gedaagde] heeft daartegen, door niet meer op de repliek te reageren, geen bezwaar gemaakt. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde] daarmee akkoord is. De regeling wordt daarom opgenomen in de beslissing.
Proceskosten
4.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde]. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een premieachterstand bestond. ASR had daarom een goede reden om deze procedure tegen [gedaagde] te starten. Hoewel partijen inmiddels een betalingsregeling hebben afgesproken, is deze pas na aanvang van deze procedure overeengekomen. De proceskosten waren op dat moment al door ASR gemaakt. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan ASR moet betalen op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 328,00 aan griffierecht, € 408,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 204,00) en € 102,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 975,38. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat ASR dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ASR te betalen € 267,36 aan hoofdsom, € 98,33 aan vervallen rente tot 16 juli 2024 en € 193,07 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag dat aan hoofdsom, na iedere wijziging, heeft opengestaan vanaf 16 juli 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van ASR worden begroot op € 975,38;
5.3.
bepaalt dat ASR de hiervoor genoemde bedragen niet kan opeisen zolang [gedaagde] elke maand uiterlijk op de tweede van de maand € 462,00 aflost aan de gemachtigde van ASR via de betaallink die de gemachtigde van ASR daartoe maandelijks per e-mail aan [gedaagde] verstrekt;
en, als [gedaagde] een maandelijkse aflossingstermijn niet of te laat betaalt:
5.4.
bepaalt dat [gedaagde] het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan ASR moet betalen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf dat moment tot de dag dat volledig is betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
62828