De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige vanwege bedreiging van diens ontwikkeling door de verstoorde relatie tussen de ouders. Tijdens de zitting wijzigde de Raad het verzoek tot aanhouding van de beslissing over ondertoezichtstelling en benoeming van een bijzondere curator.
De moeder verzocht afwijzing van de ondertoezichtstelling en benadrukte de positieve rol van de bijzondere curator, die al een band met de minderjarige heeft opgebouwd en diens behandeling bij een psycholoog ondersteunt. De vader steunde het oorspronkelijke verzoek tot ondertoezichtstelling om het contact met de minderjarige te verbeteren.
De bijzondere curator gaf aan dat een ondertoezichtstelling belastend kan zijn voor de minderjarige vanwege diens wantrouwen tegenover volwassenen en pleitte voor voortzetting van haar betrokkenheid. De kinderrechter oordeelde dat de ondertoezichtstelling niet nodig is zolang de bijzondere curator betrokken blijft en de ouders vrijwillig hulpverlening accepteren.
De kinderrechter benoemde de bijzondere curator opnieuw en wees het verzoek tot ondertoezichtstelling af. De beslissing werd op 3 december 2024 in het openbaar uitgesproken.