Op 18 augustus 2024 pleegden verdachte en een medeverdachte een diefstal door inklimming bij een restaurant in Rotterdam, waarbij goederen werden weggenomen en over een hek werden gegooid. De verdachte werd door getuigen en verbalisanten herkend en aangehouden met goederen van het restaurant.
De verdediging betwistte de betrokkenheid van verdachte en de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, maar de rechtbank achtte het bewijs, waaronder verklaringen, aangetroffen goederen en het signalement, wettig en overtuigend. De verdachte werd schuldig bevonden aan medeplegen van diefstal door inklimming.
De rechtbank nam de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee, waaronder een uitgebreid strafblad, verslavingsproblematiek, gebrek aan woon- en dagbesteding en eerdere mislukte hulpverleningstrajecten. Gezien de ernst van het feit, de recidive en het hoge risico op herhaling, werd een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar opgelegd zonder aftrek van voorarrest.
De rechtbank verwierp het verzoek van de verdediging om geen ISD-maatregel op te leggen en benadrukte dat alleen een gedwongen kader voldoende druk kan uitoefenen om gedragsverandering te bewerkstelligen. De maatregel beoogt recidive te verminderen en de veiligheid van de samenleving te waarborgen.