De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden wegens medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van bijna 1 kilogram cocaïne in een versnijdingspand en medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen in strijd met de Opiumwet. De bewezenverklaring betreft het bezit van 990,8 gram cocaïne en versnijdingsmiddelen zoals fenacetine, drugspersen en weegschalen.
Vrijspraak is uitgesproken voor het bezit van twee vuurwapens in een versnijdingspand omdat niet bewezen kon worden dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid daarvan. Ook is verdachte vrijgesproken van het bezit van verdovende middelen, vuurwapens en voorbereidingshandelingen in een ander versnijdingspand omdat niet kon worden vastgesteld dat hij daar daadwerkelijk aanwezig was.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding en fouillering rechtmatig waren en dat de sleutel die bij verdachte werd aangetroffen toegang gaf tot het versnijdingspand. Het NFI stelde vast dat DNA van verdachte op een plastic zakje met cocaïne was aangetroffen. Verdachte ontkende kennis van de goederen, maar dit werd niet aannemelijk geacht. De straf is mede gebaseerd op eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten.