In deze strafzaak verzocht mr. C.M. Derijks, rechter bij de rechtbank Rotterdam, zich te mogen verschonen van de behandeling van strafzaken tegen de verdachte. De reden voor het verzoek was dat zijn partner eerder betrokken was geweest bij de zaak, waardoor een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid zou kunnen bestaan.
De rechtbank beoordeelde het verzoek en stelde vast dat hoewel er geen aanwijzing was dat de rechter subjectief niet onpartijdig was, de omstandigheden en het feit dat de rechter zelf het verzoek indiende, een zwaarwegende aanwijzing vormden voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor schending van onpartijdigheid.
Op grond hiervan besloot de rechtbank het verzoek tot verschoning toe te wijzen om de waarborg van onpartijdigheid in het proces te garanderen. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en ondertekend door de voorzitter.