Eiseres betwist de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning, die per 1 januari 2021 is vastgesteld op €1.093.000,- terwijl zij de woning voor €1.125.000,- heeft gekocht. De rechtbank stelt vast dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, omdat het eigen verkoopcijfer de beste indicatie van de waarde is en eiseres geen feiten heeft aangevoerd die dat tegenspreken.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, omdat de heffingsambtenaar geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd waaruit blijkt dat de uitspraak op bezwaar tijdig is verzonden. Eiseres ontving de uitspraak pas op 2 mei 2023, waardoor het beroep binnen de termijn is ingediend.
Verder constateert de rechtbank dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep is overschreden. Eiseres krijgt daarom een immateriële schadevergoeding van €1.000,-, waarvan €500,- door de heffingsambtenaar en €500,- door de Staat worden betaald. Ook wordt het griffierecht en een deel van de proceskosten vergoed.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de WOZ-waarde en aanslag. De vergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegewezen en de kostenverdeling wordt vastgesteld.