ECLI:NL:RBROT:2024:13072

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 november 2024
Publicatiedatum
24 december 2024
Zaaknummer
11232550 CV EXPL 24-18578
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling zorgpremies en declaraties toegewezen aan zorgverzekeraar VGZ

VGZ heeft een zorgverzekeringsovereenkomst met gedaagde, waarbij gedaagde premie, eigen risico en zorgkosten verschuldigd is. VGZ stelde dat gedaagde een betalingsachterstand had van €3.371,33 over declaraties en premies van 2017 tot 2023, maar beperkte haar eis tot €2.500.

Gedaagde voerde verweer dat zijn betalingen via de gemeente liepen en dat een stopzetting van zijn uitkering mogelijk de oorzaak was van de achterstand. De rechtbank oordeelde echter dat de stukken van gedaagde niet aantonen dat de gemeente de gevorderde bedragen had moeten betalen, en dat de periode van de stopzetting niet overeenkomt met de periode van de betalingsachterstand.

De rechtbank stelde vast dat gedaagde onbetaald had gelaten en veroordeelde hem tot betaling van €2.500 met wettelijke rente vanaf 31 mei 2024. Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.019,39. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat VGZ direct tot executie kan overgaan.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.500 aan VGZ met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11232550 CV EXPL 24-18578
datum uitspraak: 8 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 31 mei 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de dupliek, met bijlagen.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten met VGZ. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] premie, eigen risico, eigen bijdrage en eventuele door VGZ voorgeschoten zorgkosten verschuldigd. Volgens VGZ heeft [gedaagde] verschillende zorgkostendeclaraties uit 2018 tot en met 2023 en de zorgpremies over de maanden augustus 2017 tot en met april 2018 niet volledig betaald, waardoor er sprake is van een betalingsachterstand van € 3.371,33. VGZ heeft haar eis beperkt tot € 2.500,-. VGZ wil dat [gedaagde] dat bedrag aan haar betaalt, met rente en kosten. [gedaagde] voert verweer tegen de eis van VGZ. Hij voert aan dat hij geen schulden heeft bij VGZ, omdat zijn betalingen voor de zorgverzekering via de gemeente gaan. Volgens [gedaagde] kan de betalingsachterstand zijn veroorzaakt doordat de gemeente zijn uitkering ten onrechte twee maanden heeft stopgezet.
2.2.
De eis van VGZ wordt toegewezen. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 2.500,-, met rente, aan VGZ moet betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet de declaraties en de premieachterstand betalen
2.3.
VGZ heeft haar eis onderbouwd met een specificatie van de gevorderde declaraties en premieachterstand. [gedaagde] heeft de specificaties en de hoogte van de betalingsachterstand niet inhoudelijk betwist. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken, kan ook niet worden afgeleid dat de gemeente de gevorderde declaraties en premiebedragen had moeten betalen. VGZ heeft er terecht op gewezen dat de door [gedaagde] overgelegde stukken waarin staat dat de zorgkosten kunnen worden afgetrokken van zijn uitkering betrekking hebben op een andere periode dan de periode waarover de betalingsachterstand is ontstaan. [gedaagde] heeft dit niet concreet weersproken. Dit leidt er toe dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 3.171,33 onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] wordt dan ook veroordeeld om € 2.500,- aan VGZ te betalen, omdat VGZ haar eis tot dat bedrag heeft beperkt. De kantonrechter beoordeelt daarom niet of [gedaagde] boven dit bedrag nog meer moet betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.4.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan VGZ moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 372,- aan griffierecht, € 408,- salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.019,39‬. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VGZ dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 2.500,- (een deel van de hoofdsom) met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 31 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VGZ worden begroot op € 1.019,39;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
64039