De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot verlof voor tenuitvoerlegging van een Surinaams vonnis van 11 december 2018, dat door het Hof van Justitie van Suriname op 16 februari 2024 is bekrachtigd en daarmee in kracht van gewijsde is gegaan.
Verweerster, dochter van de oorspronkelijke schuldenaar, voerde aan dat zij de nalatenschap beneficiair had aanvaard en dat executie van het vonnis in strijd zou zijn met de regels van vereffening. Zij stelde dat zij niet aansprakelijk was met haar privévermogen en dat het beslag op haar bankrekening onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat het verweer onvoldoende was onderbouwd en dat het feitelijke handelen van verweerster, waaronder het incasseren van huurinkomsten uit een pand behorend tot de nalatenschap, wijst op zuivere aanvaarding. De rechtbank stelde dat het vonnis rechtstreeks uitvoerbaar is en dat toetsing aan de Nederlandse openbare orde geen aanleiding gaf tot weigering van verlof.
Daarom werd het verzoek tot verlof tot tenuitvoerlegging toegewezen en verweerster veroordeeld tot betaling van proces- en beslagkosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.