Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekers;
- mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van hun huurwoning op te schorten. Zij kampen met schuldenproblematiek en willen via schuldhulpverlening hun situatie verbeteren. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat ontruiming aankondigt.
De rechtbank weegt het belang van verzoekers, die met hun kinderen in de woning willen blijven en het schuldhulpverleningstraject willen doorlopen, tegen het belang van verweerster, de verhuurder die het vonnis wil uitvoeren. Verzoekers hebben voldoende inkomsten om de lopende huur te betalen, de huur voor november en december is voldaan en budgetbeheer wordt opgestart om tijdige betaling te waarborgen.
Daarom acht de rechtbank het belang van verzoekers zwaarder en wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schorst de ontruiming voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.