Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
drie maandenvanaf
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b van de Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 4 oktober 2024 dat tot ontruiming leidt.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming op korte termijn zal plaatsvinden. Verzoeker ontvangt een netto inkomen van € 2.548,96 en heeft de huur van december 2024 voldaan. Hij heeft hulp gezocht bij schuldhulpverlening en psychologische ondersteuning. De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en zijn schulden wil regelen, zwaarder dan het belang van de verhuurder die het vonnis wil uitvoeren.
De rechtbank wijst het moratorium toe voor een termijn van drie maanden, korter dan de verzochte zes maanden, vanwege eerdere niet-betaling van huur en prioritering van andere schulden door verzoeker. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Uitkomst: De rechtbank wijst een moratorium toe voor drie maanden en schort de ontruiming van de huurwoning op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.