Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 20 september 2024 waarin ontruiming was bevolen. Verzoeker ontvangt een Wajong-uitkering en heeft de huur van oktober, november en december voldaan. Sinds eind oktober 2024 is beschermingsbewind ingesteld om de betaling van de huur te waarborgen.
Verweerster, de verhuurder, stelt dat zij al een toezegging heeft gedaan om niet te ontruimen mits lopende huurtermijnen worden voldaan en een redelijk afbetalingsvoorstel wordt gedaan. Zij betoogt dat verzoeker geen redelijk voorstel heeft gedaan en geen constructieve houding toont. De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen betaald zullen worden door de Wajong-uitkering en het beschermingsbewind. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.