ECLI:NL:RBROT:2024:13190

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 december 2024
Publicatiedatum
2 januari 2025
Zaaknummer
FT RK 24/1594 en FT RK 24/1596
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium huurwoning bij schuldenregeling

Verzoeker heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om uitvoering van een ontruimingsvonnis op te schorten. De rechtbank constateert een bedreigende situatie doordat ontruiming dreigt op 21 november 2024. Verzoeker, een zelfstandige in de steigerbouw, toont aan voldoende inkomsten te hebben om lopende huurtermijnen te voldoen en werkt aan een minnelijke schuldregeling met schuldeisers.

Verweerster voert aan dat verzoeker huurachterstanden heeft en pas kort voor de zitting betaalde, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende termijnen nu worden voldaan. Medehuurders betalen hun deel steeds. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening voor zes maanden, onder voorwaarde van tijdige betaling.

Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284 Fw Pro, omdat het minnelijk traject nog loopt. De voorziening verlengt de huurovereenkomst en geeft verzoeker ruimte om schuldenregeling af te ronden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 27 december 2024
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 14 november 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 november 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 december 2024.
Ter zitting van 19 december 2024 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer mr. J. Pearson, advocaat van verzoeker;
  • mevrouw mr. M.J. Blankenstein, werkzaam bij Boitenluhrs incasso gerechtsdeurwaarders, namens IG@ Vastgoed B.V., gevestigd te Waalwijk (hierna: verweerster).
Mevrouw mr. M.J. Blankenstein heeft, namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank stukken toegezonden.
De heer mr. J. Pearson heeft, namens verzoeker, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De heer mr. J. Pearson heeft, namens verzoeker, aan de rechtbank op 23 december 2024 aanvullende stukken toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij JAW advocaten en bij Zuidweg & Partners. Zuidweg & Partners zal verzoeker helpen om een minnelijke schuldregeling tussen hem en zijn schuldeisers tot stand te laten komen.
Verzoeker heeft inkomsten uit een eigen onderneming. Hij is zelfstandige en werkt in de steigerbouw. Verzoeker heeft voldoende opdrachten om zijn huurtermijnen te voldoen. Hij factureert zijn werkzaamheden op weekbasis en heeft met dat inkomen voldoende inkomsten om zijn deel van de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft in dat kader zijn deel van de huur van de maand december 2024 voldaan, op € 0,89 na. Ter zitting is namens verzoeker toegezegd om de laatste € 0,89 nog te voldoen. Na afloop van de zitting heeft verzoeker zijn deel van de huur van januari 2025 voldaan. Verzoeker huurt de woning met nog twee medehuurders. Hij heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zijn medehuurders wel steeds hun gedeelte van de huur betalen.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De huur is namelijk al geruime tijd niet betaald door verzoeker. Daaronder valt onder meer de recente huur van de maanden september 2024 tot en met november 2024. Verzoeker heeft zich kennelijk in oktober 2024 bij Zuidweg & Partners gemeld, maar heeft alsnog nagelaten om de huur van november 2024 te voldoen. Bovendien heeft hij er voor gekozen om pas twee dagen vóór de zitting van 19 december 2024 de huur van de maand december 2024 te voldoen (afgezien van de hiervoor genoemde € 0,89). Indien verzoeker goede intenties had, dan had hij de huur al eerder kunnen voldoen, nu hij daarvoor wel de finaniciële middelen had. Verweerster heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de medehuurders van verzoeker wel steeds hun gedeelte van de huur voldoen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 5 november 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 november 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 23 oktober 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen door verzoeker kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verhandelde ter zitting is namelijk gebleken dat verzoeker zijn deel van de huur van de maand december 2024 heeft voldaan, op € 0,89 na. De rechtbank gaat ervan uit dat hier sprake is van een omissie en dat het resterende bedrag ad € 0,89, conform hetgeen ter zitting is toegezegd, nog zal worden voldaan. Ook heeft verzoeker zijn deel van de huur van de maand januari 2025 inmiddels voldaan. Verzoeker heeft als zzp’er voldoende inkomsten om zijn deel van de lopende huurtermijnen te blijven voldoen. Dit blijkt uit de overgelegde facturen en verklaringen van verzoeker en zijn advocaat ter zitting. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 23 oktober 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
14 november 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van
mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 december 2024.