Verzoeker diende een verzoek in tot toepassing van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet, nadat Esso weigerde in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een betaling van 3,55% aan preferente en 1,78% aan concurrente schuldeisers, gefinancierd door een saneringskrediet. Verzoeker kampt met psychische problemen en is onder behandeling, waardoor hij niet kan werken.
Esso verweerde zich met het argument dat de schuld niet te goeder trouw is ontstaan vanwege tanken zonder betalen en verslavingsproblematiek, en dat het saneringskrediet niet het maximaal haalbare oplevert. De rechtbank oordeelde dat het voorstel zorgvuldig was getoetst door een onafhankelijke partij en dat verzoeker in een stabiele situatie verkeert met beschermingsbewind en begeleiding.
De rechtbank achtte het belang van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder dan dat van Esso, mede omdat de schulden ook onder de wettelijke schuldsaneringsregeling niet zouden worden uitgesloten. Het dwangakkoord werd toegewezen, het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen en Esso werd niet in de kosten veroordeeld.