Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers Trotz Vastgoed en gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorzag in een betaling van 6,72% aan preferente en 3,36% aan concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Tien van de twaalf schuldeisers gingen akkoord, maar Trotz Vastgoed en de gemeente Rotterdam weigerden.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker een PW-uitkering ontvangt en uitzicht heeft op een parttime baan, waardoor geen hogere inkomsten te verwachten zijn. De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en is goed gedocumenteerd. De rechtbank oordeelde dat het voorstel het uiterste is wat verzoeker kan bieden en dat het resultaat gunstiger is dan bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Gezien het belang van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers weegt dit zwaarder dan het belang van de weigerachtige schuldeisers. Daarom werd het dwangakkoord toegewezen, de schuldeisers veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.