ECLI:NL:RBROT:2024:13198
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- K.Th. van Barneveld
- F. Damsteegt
- C.J.L. van Dam
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen beslissing OM niet verlenen voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde, bij vonnis van 19 juni 2023 veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, kon vanaf 21 juni 2024 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie (OM) stelde op 7 mei 2024 de beslissing hierover uit met een nieuwe datum van 19 oktober 2024. Op 15 oktober 2024 besloot het OM de voorwaardelijke invrijheidstelling niet te verlenen, maar deze beslissing werd pas op 16 oktober 2024 aan de veroordeelde betekend, waardoor de kennisgeving niet tijdig was volgens artikel 6:2:13 Sv Pro.
De veroordeelde voerde aan dat deze termijnoverschrijding rechtsgevolgen moet hebben en dat het OM niet redelijk heeft gehandeld, mede vanwege zijn weigering tot medewerking aan reclassering en het belang om spoedig vrij te komen vanwege een dreigende ontruiming van zijn woning. Het OM stelde dat de termijn van vier weken alleen geldt voor de eerste beslissing en dat de beslissing van 15 oktober 2024 tijdig was. Tevens wees het OM op de marginale toets bij bezwaar en dat de adviezen van de reclassering en PI de beslissing rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van vier weken ook geldt voor de beslissing na uitstel en dat het OM niet tijdig heeft gehandeld. Echter, gelet op de omstandigheden en het feit dat de veroordeelde niet meewerkte aan re-integratie, is er geen reden om rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding te verbinden. De inhoudelijke toets wees uit dat het OM in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen, mede omdat de veroordeelde geen bijzondere geschiktheid tot terugkeer toonde en de risico’s niet konden worden beperkt.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees erop dat de situatie omtrent de woning van de veroordeelde voorspelbaar was en geen invloed had op het oordeel. De beslissing werd in raadkamer genomen en openbaar uitgesproken op 16 december 2024.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen is ongegrond verklaard.