De zaak betreft een vergunning voor kamerbewoning aan studenten in een woning te Rotterdam, waarbij een omwonende bezwaar maakte tegen de vergunningverlening vanwege vermeende overlast en het niet naleven van het overgangsrecht. Het college had aanvankelijk een last onder dwangsom opgelegd wegens illegale kamerverhuur, maar verleende later alsnog de vergunning na een integrale bestuurlijke heroverweging.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraagdatum bepalend is voor de toepassing van het overgangsrecht en dat de aanvraag van 9 februari 2022 vóór de overgangsdatum van 1 september 2022 is ingediend, waardoor het overgangsrecht van toepassing is. Hierdoor zijn bepaalde criteria uit de Huisvestingsverordening 2021 niet van toepassing.
Het college heeft met het Stoplichtmodel de overlastobjectivering onderbouwd en toegelicht dat het aantal punten is gedaald van 53 naar 32, waardoor geen aantasting van het woonmilieu en de leefbaarheid wordt verwacht. De rechtbank volgt het college hierin en verwerpt de bezwaren van eiseres over procedurele tekortkomingen en de interpretatie van het voorbereidingsbesluit.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het college de vergunning terecht heeft verleend, waarmee de illegale situatie is gelegaliseerd.