De moeder verzoekt de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Deze aanwijzing betreft het uitvoeren van urinecontroles bij de moeder en het verbod voor haar nieuwe partner om in de woning te zijn waar de kinderen verblijven. De GI heeft de aanwijzing gegeven vanwege zorgen over het middelengebruik van de moeder en de veiligheid van de kinderen.
De moeder betwist de frequentie van de urinecontroles als te intensief en onpraktisch, en stelt dat haar nieuwe partner geen gevaar vormt voor de kinderen. De GI benadrukt dat de controles noodzakelijk zijn om zicht te houden op het middelengebruik en dat er zorgen zijn over de nieuwe partner vanwege zijn middelengebruik, huiselijk geweld en politiemutaties.
De rechtbank oordeelt dat de aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de zorgen over de veiligheid van de kinderen en het middelengebruik van de moeder nog steeds aanwezig zijn. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de moeder af en handhaaft de schriftelijke aanwijzing.