De zaak betreft een geschil tussen Stichting Woonstad Rotterdam en een huurder die sinds 2015 een woning huurde, maar volgens Woonstad haar hoofdverblijf niet meer in de woning had. Woonstad vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van huur en buitengerechtelijke kosten.
De huurder betwistte aanvankelijk het ontbreken van het hoofdverblijf, maar gaf later aan de woning te hebben verlaten en de sleutels te zullen inleveren. Woonstad had de huurovereenkomst opgezegd, waardoor de eis tot ontbinding werd ingetrokken. De kantonrechter veroordeelde de huurder tot ontruiming binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, betaling van €462,50 aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten van €461,99.
De vordering tot betaling van huur vanaf 1 augustus 2024 werd afgewezen omdat geen bewijs was geleverd van achterstand. De tegeneisen van de huurder, waaronder een verbod op negatieve registratie en het verstrekken van een positieve huurdersverklaring, werden eveneens afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en het vastgestelde oneigenlijk gebruik van de woning.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en werd in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter.