Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
4.Bewijswaardering
‘onze’gisteren heeft gewurgd waarop de verdachte reageert
“(…) weiger zomaar net als we het nooit hebben gedaan”. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de chats betrekking zouden hebben op andere vrouwen, zoals door de verdachte is aangevoerd. De inhoud van de chats wijzen in de richting van aangeefster, de moeder van aangeefster heeft verklaard dat de berichten over haar dochter gaan en de verdachte heeft geen (andere) namen genoemd, situaties beschreven of anderszins aannemelijk gemaakt dat deze chats over anderen zouden gaan.
‘zou zien’. En met resultaat, want het feit is niet aan het licht gekomen doordat aangeefster aan de bel heeft getrokken. In de ter plaatse afgelegde verklaring geeft zij te kennen dat ze het niet aan haar moeder durfde te vertellen en dat ze het lastig vindt om erover te praten.
defeitelijkheden hebben bestaan uit het
5.Strafbaarheid feit
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Bijlagen
10.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;